Joegoslavië-Tribunaal is politiek instrument

Het Haagse Tribunaal streeft naar compromissen tussen het straffen van schuldigen en het vergroten van de stabiliteit in de regio. Maar het resultaat, zo gelooft Pavel Kandel, is sterk selectief.

De instelling van het Internationale Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag is te beschouwen als een poging van de internationale gemeenschap om de rechtsstaat te herstellen in een land waar vier jaar lang het recht van de sterkste heeft geregeerd. Toen de bevoegdheid van het Tribunaal werd uitgebreid tot misdaden tegen de menselijkheid, ongeacht of die waren begaan tijdens een internationaal dan wel tijdens een binnenlands conflict, was dat een triomf voor het internationaal humanitair recht.

Ik zou dan ook graag willen geloven dat het tribunaal een belangrijk middel kan zijn om een internationale rechtsorde te vestigen in het rechtsvacuüm dat ontstaat wanneer in een land de staatsmacht ineenstort. Typische voorbeelden van landen waar zo'n situatie dreigt te ontstaan zijn de voormalige Sovjet-staten en tal van landen in Azië en Afrika. Het Haagse precedent zou, ook indien het slechts een gedeeltelijk succes wordt, de weg kunnen effenen voor de instelling van een permanent internationaal hof.

Er is echter te veel dat daartegen pleit. Het probleem is dat het tribunaal te zeer wordt gehinderd door de politieke opportuniteit. Zelfs de instelling van het tribunaal op een moment dat de internationale gemeenschap niet in staat was recht te doen gelden in de conflictzone, diende al een politiek, zij het ook nobel, doel: de dreiging met een internationale rechtbank om een golf van geweld de kop in te drukken.

De effectiviteit van het tribunaal hangt af van de mate waarin de ondertekenaren van de akkoorden van Dayton bereid zijn aan de uitvoering daarvan mee te werken. Maar, zo zegt rechter Antonio Cassese, president bij het Hof van Beroep van het Tribunaal, die akkoorden kunnen alleen in formele zin gelden als een keuze voor recht boven Realpolitik. In feite ging het om 'vrede in ruil voor recht', een geforceerd, broos en tijdelijk compromis, zowel tussen de nog altijd regerende kopstukken van de vuile oorlog onderling, als tussen hen en de grote mogendheden. Het tribunaal moest kiezen tussen het straffen van schuldigen en het vergroten van de stabiliteit, en raakte zo onherroepelijk verstrikt in de vele haken en ogen van dit compromis.

In zulke omstandigheden verandert een vonnis onvermijdelijk in een selectief gebruikt, politiek instrument.

Aangezien de verdachten niet verkiesbaar of benoembaar zijn in bestuurlijke lichamen van Bosnië-Herzegovina, lijkt de aanklacht op een middel om ongewenste elementen van het politieke toneel te verwijderen. Wanneer vrouwe Justitia, ongeacht haar goede bedoelingen, de dienstmeid van de politiek wordt, dan is zij zelf het eerste slachtoffer. Begrijpelijkerwijs werden de eerste aanklachten ingediend tegen tientallen Serviërs en een paar Kroaten, die alle werden verdacht van misdaden tegen moslims. Pas later en onder druk van kritiek heeft het tribunaal beschuldigingen ingebracht tegen een aantal moslims, om zo het evenwicht te herstellen.

Heel vreemd is ook dat het tribunaal volstrekt voorbij is gegaan aan de explosies in Sarajevo, die plaatsvonden precies op het ogenblik dat het bepaalde politieke krachten goed uitkwam wanneer de internationale gemeenschap te hoop zou lopen tegen de Serviërs. Er is meer dan voldoende grond om aan te nemen dat de schuldigen onder de leiders van de Bosnische moslims moeten worden gezocht. Verder heeft het tribunaal geen passend oordeel geveld over de misdragingen van het Kroatische leger in de Krajina en West-Slavonië.

Intussen is massaterreur jegens 'vreemdelingen' een algemeen en begrijpelijk verschijnsel bij gewapende etnisch-politieke conflicten. Het is het meest effectieve middel om de consolidatie van etnische zuivering onomkeerbaar te maken, en om nationalisten binnen een etnische groep de voorrang te verlenen, en tevens het recht om de groep in internationale betrekkingen te vertegenwoordigen. Er is geen effectiever middel om etnische homogeniteit te scheppen in een gebied waar verschillende etnische groepen wonen.

Opzettelijke en schijnbaar zinloze wreedheid is in werkelijkheid hoogst functioneel: door bruggen te verbranden en de bloedbanden aan te halen garanderen de nationalisten dat er geen terugkeer naar de situatie van vóór het conflict mogelijk is. Daarnaast maken ze voor de niet-nationalistische krachten elke concurrentie onmogelijk.

In het geval van de Serviërs en Kroaten vloeide dit optreden 'logisch' voort uit hun streven om Bosnië-Herzegovina te verdelen op grond van nationaliteit en godsdienst. In het geval van de moslims was zulk optreden formeel in strijd met hun officiële doelstelling, de handhaving van een etnisch en religieus pluriforme staat. Maar de toenemende islamisering van de staat en het openbaar bestuur in het door Alija IzetbegoviEÉc bestuurde gebied logenstraft de officieel beleden trouw van de moslims aan hun eigen verklaringen, die kennelijk alleen voor uitwendig gebruik zijn bedoeld. Het is dan ook juridisch ongegrond en politiek nadelig om in deze oorlog naar een onschuldige partij te zoeken.

Afschaffing van de dubbele moraal en de onevenwichtige anti-Servische houding zou de rechtvaardigheid en politieke opportuniteit ten goede komen. Tijdens de oorlog lag de grootste verantwoordelijkheid bij de sterkste partij, de Serviërs, terwijl de toekomst van Bosnië-Herzegovina thans grotendeels afhangt van de goede wil van de Bosnische moslims als de grootste etnische groep. Daarom zijn alle pogingen om één van de partijen als onschuldig slachtoffer af te schilderen contraproductief. De arrestatie van Radovan KaradziEÉc en Ratko MladiEÉc, de hoofdschuldigen onder de Servische leiders, kan alleen als juridisch objectief gelden en van haar destabiliserende werking worden ontdaan wanneer hetzelfde lot ook de twee andere kampen zal treffen. Het gebruik van IFOR-eenheden voor zulke operaties op het grondgebied van de Servische Republiek is te rechtvaardigen wanneer zij hetzelfde doen in de twee andere delen van Bosnië-Herzegovina.

En zelfs als het Haagse Tribunaal een objectievere koers gaat varen, zal het toch de politieke logica van het vredesverdrag moeten blijven volgen, met al zijn tekortkomingen en dubbelzinnigheden. Een verdrag dat nota bene de resultaten van 'etnische zuiveringscampagnes' heeft gelegitimeerd, dezelfde campagnes en misdaden die nu het onderwerp van strafrechtelijk onderzoek zijn.

Het is bekend dat een slechte vrede altijd nog beter is dan een goede ruzie. De internationale gemeenschap heeft na vier jaar ruzie op de Balkan slechts voldoende politieke wil voor een slechte vrede kunnen opbrengen. Het zou naïef zijn te menen dat het internationale recht boven dat beleid zal uitrijzen.