In farmacie blijft slechts handvol 'spelers' over

De aangekondigde megafusie tussen SmithKline Beecham en Glaxo Wellcome heeft de koersen in de farmaceutische sector opgestuwd. De perspectieven voor de sector zijn veelbelovend. Toch dwingen concurrentie, onderzoekskosten en overheidsingrijpen tot nog meer efficiency en samenwerking.

ROTTERDAM, 3 FEB. Een nieuwe grote fusie of overname in de sector van de farmacie was aanstaande, zo viel de laatste weken te vernemen uit de monden van de echte pharma-watchers. Ruim een week geleden werd bekend dat het Amerikaans-Britse SmithKline Beecham (SB) zijn oog had laten vallen op American Home Products (AHP). In termen van grootte van omzet op het gebied van gezondheidszorg - dat is meer dan receptgeneesmiddelen alleen - is SB zesde op de wereldranglijst met een omzet van 12,4 miljard dollar in 1996 en AHP achtste met een omzet van 11,3 miljard dollar.

Het nieuws rond die megafusie was nog niet verstomd of zaterdag bleek dat die onderhandelingen alweer waren afgesprongen en SB ineens aan tafel zat met een nog grotere reus, het Britse Glaxo Wellcome. Dat bedrijf staat op de vijfde plaats van de wereldranglijst - na de Amerikanen Johnson & Johnson, Merck & Company, het Zwitserse Novartis en het Amerikaanse Bristol-Myers Squibb Company - en zette in 1996 ruim 13 miljard dollar om.

Dat grote bedrijven kleintjes opslokken is inmiddels nauwelijks meer nieuws. Maar de laatste jaren vallen de echte reuzen elkaar in de armen en daarmee lijken de woorden te worden bewaarheid van topman Jan Leschley van SB, dat tegen de eeuwwisseling het aantal echte grote farmaceutische bedrijven op de vingers van een hand te tellen is. “De rest wordt gevormd door de 'niche-spelers', bedrijven die goed zijn op een enkel terrein of geliefd in een bepaalde regio op grond van historische sentimenten”, aldus Leschley in een vraaggesprek in deze krant twee jaar geleden.

Fusies in de farmaceutische sector zijn dus niet nieuw. Begin jaren zestig nam Johnson & Johnson het Belgische Janssen over. Geen slechte zaak voor de Amerikanen want Janssen heeft de afgelopen dertig jaar voor een ongekend aantal nieuwe geneesmiddelen gezorgd. In 1989 annexeerde SmithKline Beckam het Londense Beecham. Bristol-Myers volgde met de inlijving van Squibb en zette diens toenmalige werknemer Jan Leschley, nu dus topman van SB, aan de kant. Later volgde de overname van het Amerikaanse Upjohn door het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde Pharmacia. Intussen was er een spervuur van acquisities van kleinere bedrijven.

Opmerkelijk zijn twee tendenzen waarop farmaceutische bedrijven hun strategie moeten afstemmen. In de eerste plaats is er de zekerheid dat er een rooskleurige toekomst is. Anders dan de bedrijven in de 'grove chemie' die altijd kampen met een cyclische markt kan de farmaceutische sector rekenen op een constant toenemende vraag. Er zullen altijd medicijnen nodig zijn om ziekten te genezen. Bovendien wordt de consumentenmarkt groter door de vergrijzing van de bevolking.

Er komen ook meer markten voor die medicijnen. Midden- en Oost-Europa zijn gebieden waar een enorme expansie mogelijk is, Zuidoost-Azië is een groeimarkt en Latijns Amerika wordt koopkrachtiger. Verder wordt de techniek, waarover farmaceutische bedrijven beschikken, steeds geavanceerder.

Ten slotte zijn er in de Verenigde Staten zogeheten managed care-bedrijven actief. Ze vormen een schakel tussen (onder andere) farmaceutische bedrijven en verzekeraars. Ze inventariseren alle mogelijke gegevens omtrent patiënten, hun aandoeningen en hun medicijngebruik. Ze zijn daardoor in staat enerzijds voor verzekeringen kostenbesparingen aan te wijzen, maar vormen anderzijds een 'marketing tool' bij uitstek voor farmaceutische bedrijven. Ze kunnen met hun eindeloze databestanden alle partijen in de gezondheidszorg een kant uit sturen.

De afgelopen vijf jaar zijn er dan ook juist wat deze managed care-bedrijven betreft indrukwekkende overnames gedaan. Merck & Co kocht Medco, Eli Lilly kocht PCS Health Systems en SmithKline Beecham nam Diversified Pharmaceutical Services over. Het waren om voor de hand liggende redenen stuk voor stuk miljardentransacties.

Het zal voor Glaxo Wellcome - zelf ontstaan uit een fusie in maart 1995 tussen het agressieve Glaxo en het chique Wellcome - zonder twijfel aantrekkelijk zijn dat SB zo'n managed care-bedrijf heeft. Maar dat de bedrijven elkaar bevallen zal vooral een gevolg zijn van de samenwerking op het gebied van biotechnologie, die van begin 1996 dateert. Vanaf die tijd werken de bedrijven samen op het gebied van DNA-onderzoek om zo genetische oorzaken voor het ontstaan van ziekten te detecteren. Die innige samenwerking wordt ingegeven door snelheid en besparing van kosten.

Het besparen van kosten geldt niet alleen het DNA-onderzoek, maar de totale research & development (r & d) bij de farmaceutische industrie. Het ontwikkelen van een nieuw geneesmiddel kost al gauw zo'n 250 miljoen dollar. Nadat een nieuwe stof - a new chemical entity (NCE) - is geoctrooieerd gaan er nog twaalf jaar overheen voordat het als geneesmiddel op de markt komt, ten koste van de effectieve octrooitermijn. In die tijd kan er niet aan worden verdiend.

Maar van de tien middelen die uiteindelijk op de markt komen brengen er acht tot negen ook nog eens nooit op wat ze aan onderzoek hebben gekost. Die een of twee die overblijven moeten dus een 'blockbuster' zijn, die vervolgens in de ogen van consument en overheid onbegrijpelijk duur is. Een bedrijf dat geen potentiële blockbusters in de pijplijn heeft is ten dode opgeschreven. Of liever gezegd: rijp voor overname.

Nu overheden de prijzen van geneesmiddelen fors gaan beteugelen zien bedrijven zich genoodzaakt iets aan die r & d-kosten te doen. Dat kan door afslanking en samengaan. Zo verdween van 1990 tot 1995 22 procent van het aantal banen bij de vijftig grootste farmaceutische bedrijven in de wereld. Dat leidde in 1995 tot een stijging van de nettoresultaten met gemiddeld 10,4 procent. Die groei is sindsdien doorgegaan. In 1990 beheersten de tien grootste bedrijven 35 procent van de wereldmarkt, dat is nu meer dan 40 procent en klimt snel naar de 50.

Anders dan 'gewone' bedrijven hebben farmaceutische bedrijven ook wat de prijzen betreft niet zozeer te maken met de consument of de detailhandel, maar rechtsstreeks met de overheid. Een patiënt die goed verzekerd is bekommert zich niet om de prijs van zijn medicijn. De overheid doet dat wel, want de collectieve lasten rijzen de pan uit. Ook dat is een reden waarom farmaceutische bedrijven moeten streven naar schaalvergroting, want de afgelopen jaren stagneren door overheidsingrijpen de markten in met name Europa en Japan.

De nood is nog niet echt hoog, want de Verenigde Staten blijven met 32,9 procent de belangrijkste markt in de wereld. De economie groeit en Hillary Clinton heeft haar plannen om de gezondheidszorg stevig te herstructureren zien verzanden.

Het bezuinigende Europa zit daar met 32,3 procent niet ver vandaan en Japan is nog altijd goed voor 18,6 procent. De Amerikaanse markt groeide in 1996 nog met negen procent, eenzelfde percentage als in Europa, maar in Japan bleef die groei beperkt tot een procent.

Maar Europa zal snel slechtere vooruitzichten bieden. Vooral ingrepen in de prijzen door de Duitse en Franse overheden worden gevreesd. Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk lijken vooralsnog stabiele markten. Ook in Nederland heeft de overheid ingegrepen, maar dat effect is goeddeels teloorgegaan doordat de Amerikaanse dollar en het Engelse pond sterk in waarde zijn gestegen. Bovendien was de prijs voor geneesmiddelen in Nederland hoog, maar de consumptie een schijntje vergeleken bij een land als Frankrijk.

Om aan de (prijs)eisen van overheden te kunnen voldoen met behoud van een gezonde marge zullen de grote farmaceutische bedrijven dus blijven streven naar overnames of fusies. Prijzen kunnen dan dalen, doordat de loonlijsten krimpen. Daarnaast zullen ze tegenover die overheden ook een steviger vuist willen maken dan tot nu toe het geval was.

In het geval van de fusie tussen SmithKline Beecham en Glaxo Wellcome wordt voor 10.000 banen gevreesd. Personeel van farmaceutische bedrijven begroet een voorgenomen fusie dan ook zelden met instemming. Hun wacht een keurige afvloeiingsregeling. De fusie tussen SmithKline Beecham en Glaxo Wellcome slaat alle records. Maar een record waarover veel minder wordt gerept, is dat van de kosten. Niet alleen een handdruk aan 10.000 werknemers kost een vermogen, maar ook het samenvoegen van ondernemingen die beide in meer dan 160 landen zijn gevestigd vergt miljarden.