FOREIGN AFFAIRS

Het Aziatische wonder is nog niet voorbij, maar de gemakkelijke fase van de groei is achter de rug. Nu is het andere Azië aan de beurt, te weten het merendeel van de bevolking dat arm is, op het platteland leeft, en lijdt aan de sociaal-economische problemen van elk derdewereldland. Want ondanks de economische voorspoed van de voorbije decennia verdient de helft van de bevolking in Azië, 1,5 miljard mensen, minder dan 500 dollar per jaar, schrijft Bruce Koppel inForeign Affairs. De auteur is docent bij de Fondation Nationale des Sciences Politiques in Parijs.

Meer dan de helft van de armen, te weten 585 miljoen mensen is geheel verstoken van gezondheidszorg en krijgt weinig onderwijs, uiteenlopend van twee jaar voor vrouwen in Zuidoost-Azië tot acht jaar voor mannen op de Filippijnen. En ondervoeding van kinderen komt volgens de auteur meer voor in Zuid-Azië (51 procent) dan in de Sub-Sahara (31 procent). De dienstensector is explosief gegroeid, maar alleen aan de onderkant van de markt, vooral door toedoen van vrouwen en kinderen. Volgens de auteur is er in de sociaal-economische structuur in Azië weinig veranderd. Op grond van de sociaal-economische geschiedenis in Japan, Korea en Taiwan meent hij dat vooral de productiviteit in de landbouw zal moeten groeien, als basis van de industriële groei. Want tot dusverre heeft de economische ontwikkeling wel de infrastructurele problemen bloot gelegd maar niets bijgedragen aan een oplossing er van.

Foreign Affairs verschijnt eens per twee maanden en is verkrijgbaar in de kiosk.