Agressie en onmacht op een lome zomerdag

ROTTERDAM, 3 FEBR. Jesse Peretz, de 28-jarige bassist van de rockgroep Lemon Heads, heeft voor een Amerikaan een eclectische filmsmaak. Tot zijn favoriete films rekent hij Jules et Jim, Emir Kusturica's Time of the Gypsies, Naked en Breaking the Waves, zo vertelde hij gisteren in Rotterdam bij de Europese première van de door hem geregisseerde lange speelfilm First Love, Last Rites.

Twee jaar geleden bezocht hij ook al het International Filmfestival Rotterdam en slaagde er in op de Cinemart een deel van de financiering te vinden voor deze onafhankelijke productie, gebaseerd op een novelle van Ian McEwan; nu is de film een reële kanshebber voor een van de drie Tiger Awards. Net als in de door Peretz bewonderde voorbeelden excelleert First Love, Last Rites in het oproepen van sfeer en het onder de huid kruipen van de personages, van wie er een vertolkt wordt door Natasha Gregson Wagner, de sprekend op haar moeder lijkende dochter van Natalie Wood. De handeling werd verplaatst van Engeland naar een broeierig havenstadje in Louisiana, waar een verliefd koppel de lome zomer voornamelijk in bed doorbrengt. De film gaat over de angst dat het niet eeuwig zo zal blijven; de toekomst dient zich aan, niet alleen door woedeaanvallen van het meisje dat dan grammofoonplaten in kokend water gooit, haar stampvoetende kleine broertje en vooral de verse echtscheiding van haar ouders. De impliciete agressie en onmacht uit het werk van McEwan werden zelden eerder zo adequaat filmisch vormgegeven.

Uit het gevarieerde aanbod van het Rotterdamse festival blijven je vele leerzame details bij: hoe gekookte singles er uit zien, maar ook de misprijzende dialoog tussen twee bioscoopcaissières in Taipei (in Murmur of Youth van Lin Cheng-sheng) over jongens met wijde pijpen ('Bell bottoms are só early nineties') en bijvoorbeeld de kunst om met een tussen de benen ingeklemd kunstgebit knopen van canapés af te rukken. Het is een van de talloze absurde scènes in Knoflikari van de Tsjech Petr Zelinka, een Buñuelachtige verzameling schijnbaar onsamenhangende anekdotes, die uiteindelijk toch een patroon vertonen van de wreedheid van het toeval. Er blijken connecties te bestaan tussen de knopenverzamelaar, de geest van een piloot die de bom op Hiroshima gooide en het stel dat bij voorkeur de liefde bedrijft op de achterbank van een taxi.

Het wat gekunstelde Knoflikari is een van de drie Tsjechische debuutfilms in Rotterdam, die alle getuigen van een wedergeboorte van die rijke filmcultuur. Dead Beetle van Pavel Marek, leerling van Jan Svankmajer, is een aan een vroege film van Forman of Chytilova herinnerende sterk fysieke tragikomedie over landerige jongeren in Praag. En Ivan Vojnar, die min of meer tot de generatie van 1968 behoort, debuteert op zijn 52ste na vele documentaires met de picturaal indrukwekkende film in zwart-wit en cinemascope The Way through the Bleak Woods, een historische vertelling uit het Boheemse Woud, die je bijna een streekroman zou kunnen noemen, als de invloed van zijn Russische idolen Tarkovski, Michalkov en Kontsjalovski niet zo overduidelijk was. Het begint er op te lijken dat Tsjechië als eerste voormalig Oostblokland de crisis door het wegvallen van een staatsfilmindustrie te boven komt.