Achter elke bocht een enorm park

Sonsbeek, het bekendste Arnhemse park, bestaat volgend jaar honderd jaar. Voor vijftien miljoen gulden wordt het opgeknapt.

ARNHEM, 3 FEBR. Het is de mist die de bezoeker het idee geeft in een oude ansichtkaart te lopen. De beuken staan roerloos en zwart-wit op de heuvels. In de verte loopt een klas het beeld uit. De kinderstemmen vervagen.

Sonsbeek is met zijn zestig hectaren een van de grootste en in ieder geval een van de bekendste stadsparken van Arnhem. Hele generaties Arnhemmers en bewoners van omliggende gemeenten zijn opgegroeid met een zondagse wandeling door het park of een bezoek aan het paviljoen, waar in de jaren vijftig en zestig in de weekeinden volop gedanst kon worden. Volgend jaar bestaat Sonsbeek honderd jaar als stadspark en dat moet, zo vindt de stichting 100 jaar stadspark Sonsbeek, een geweldig spektakel worden.

Maar voor het zover is, wil de stichting het nodige laten doen aan Sonsbeek om iets van de oude luister te herstellen. Er is een bedrag van vijftien miljoen gulden nodig om het park op dertig punten te restaureren, zegt J. Soomers van de stichting. De werkzaamheden variëren van het herstel van de beroemde waterval van Sonsbeek tot en met de terugkeer van de historische wegwijzers en het herplaatsen van antieke lantaarns en de smeedijzeren omheining rond het gehele park. Bovendien zal de Belvédère-toren, van waaruit er een goed zicht is op het park en zijn omgeving, ingrijpend gerenoveerd worden.

Van de benodigde vijftien miljoen gulden is negentig procent binnen, zegt Soomers. Hij toont zich zeer verheugd met de onlangs aangekondigde 1,7 miljoen gulden subsidie vanuit Brussel. De rest van het geld komt er ook nog wel, denkt Soomers. De stichting werd begin 1997, op initiatief van de gemeente Arnhem, opgericht om de festiviteiten in het jubileumjaar te coördineren, de restauratie van een aantal onderdelen van het park te begeleiden en het benodigde geld binnen te halen.

Sonsbeek werd vanaf het midden van de vorige eeuw als park aangelegd in de Engelse landschapsstijl, maar het landgoed werd al in de zeventiende eeuw genoemd. Toen stonden er zeven molens op het terrein, nu nog twee. In 1899 werd het park door de gemeente Arnhem aangekocht op dringend verzoek van wethouder Cordes, die voorzag dat Arnhem in de eerste decennia van de twintigste eeuw fors zou groeien. Zo fors dat de parken en landerijen om de gemeente heen binnen de gemeentegrenzen zouden komen te liggen. Aankoop van het landgoed van eigenaar baron Van Heeckeren zou de Arnhemmers de mogelijkheid bieden tot recreatie in de eigen stad. Aldus geschiedde. Het pleidooi van Cordes was in de jaren die volgden reden om nog veel meer landgoederen aan te kopen. Op dit moment telt Arnhem dertien parken, die als de vingers van een hand om de binnenstad liggen.

Sonsbeek is bijzonder door zijn ligging en zijn geschiedenis. Uit het boekje 'Ode aan Sonsbeek' van de journalisten Kees en Frans Crone blijkt waarom. Sonsbeek was het trefpunt voor vele Arnhemmers. Er waren circusvoorstellingen van Barnum & Bailey aan het begin van deze eeuw op de grote weide, er waren exposities in het zogenoemde Witte Huis, Fokveedagen, en massale Bondsfeesten van het Koninklijke Nederlandsche Gymnastiek Verbond. Schrijvers als Gerard Reve, Simon Carmiggelt, Koos van Zomeren en drs. P. schreven over het park - al dan niet in positieve zin.

De stichting verkoopt het boekje van de gebroeders Crone, maar heeft bovenal een 'prestigieus, historisch boekwerk' in de maak, dat in de loop van dit jaar op de markt moet komen. Soomers vindt al die aandacht niet raar. “Ik kom hier al veertig jaar, maar het park is nog altijd geweldig”, zegt hij. “Er is de suggestie van ruimte, alsof achter elke bocht een enorm park op je ligt te wachten.”

Er moet dit jaar nogal wat worden gerestaureerd, maar het arsenaal aan bomen valt daar niet onder. Dat is wel eens anders geweest. Omdat het bosgedeelte van het park voornamelijk bestaat uit beuken, die bovendien voor een groot deel allemaal geplant werden rond 1875, heeft de beheerder van het park in de jaren zestig en zeventig geworsteld met de vraag wat er met deze oude en vaak zieke bomen moest gebeuren. Niet zelden werd er gekapt, tegen de zin van de Arnhemmer, die van mening was dat je van bomen af moest blijven en, indien mogelijk, restaureren.

Van restaureren en kappen is tegenwoordig geen sprake meer, zegt Soomers. “Wat omvalt laten we liggen, de natuur zorgt zelf voor nieuwe aanplant. Het wijst zich tegenwoordig dus eigenlijk vanzelf.”