Waar blijven de Hollandse vrouwen?

Het zijn in sport de mannen die momenteel de grote successen voor Nederland boeken. Waar blijven de vrouwen? Experts zoeken naar verklaringen. Is het gewoon toeval? Of heeft het misschien met doping te maken?

Sportsocioloog Maarten van Bottenburg stelt dat door de emancipatie in andere landen de internationale successen van de Nederlandse vrouwen zijn afgenomen. Het komt er simpelweg op neer dat er tegenwoordig nóg meer moet worden gedaan om te scoren.

“De vrouwen trainen nu net zoveel als wij vroeger”, oordeelt hockeyster Carina Benninga, voormalig olympisch- en wereldkampioene en tegenwoordig coach van hoofdklasser Amsterdam. “Eigenlijk zouden ze dus meer moeten trainen. Australië traint momenteel harder dan Nederland en is ook wereldkampioen. Het is flauwekul om te zeggen dat we daar niet tegenop kunnen. Wat ze daar kunnen, moet hier ook lukken. Het onderste moet uit de kan.”

Hockey is een van de sporten waarin voorheen door de Nederlandse vrouwen betere prestaties werden gehaald dan nu. Dat geldt onder meer ook voor atletiek, schaatsen, tafeltennis, wielrennen en zwemmen. Sportpsycholoog Peter Blitz vraagt zich af of het verschil niet in het dopingbeleid ligt. “Misschien zijn wij in Nederland schoner dan in andere landen. We zijn hier wel vaker roomser dan de paus. En dat heeft dan veel meer invloed op de resultaten bij de vrouwen dan bij de mannen. Met doping valt gewoon meer succes te boeken bij de vrouwen. Dat zag je in de vroegere DDR.”

Blitz gaat er vanuit dat in de jaren tachtig in de Nederlandse sport net zoals in de rest van de wereld doping werd gebruikt. De jacht op overtreders, met als hoogtepunt de veroordeling van olympisch sprintkampioen Ben Johnson in 1988, zorgde volgens de Amsterdammer voor een schokeffect. “Toen ging bij velen de rem erop en dat gebeurde in Nederland drastischer dan in andere landen.” Hij verwacht dat die terughoudend weer zal verdwijnen. “De toppers zullen uiteindelijk toch eieren voor hun geld kiezen. Er zijn nu eenmaal sporten waar je zonder doping bijna geen succes kan hebben. Mensen schudden ongelovig hun hoofd als ik dat zeg. Maar iedereen weet toch dat de sport lang niet schoon is.”

Het is ook weer niet zo dat de Nederlandse sportvrouwen momenteel helemaal geen succes meer boeken. Bij de WK zwemmen won marathonzwemster Edith van Dijk zilver en brons en grepen de waterpolosters in de finale net naast het goud. En er was de bronzen medaille van Kirsten Vlieghuis op de 800 meter. In het zwembad van Perth bereikten de Nederlandse mannen en vrouwen een gelijk aantal finales: negen. De medailles werden wel ongelijk verdeeld: vier voor de mannen en één voor de vrouwen.

Het grote verschil was dat de mannen Pieter van den Hoogenband en vooral Marcel Wouda in de gelederen hebben. “Maar eens in de zoveel tijd heb je een Wouda. Die ene supertopper had ook net zo goed een vrouw kunnen zijn. Dat is gewoon toeval”, stelt bondscoach René Dekker. De prestaties van Wouda hadden volgens Dekker een belangrijke invloed op de andere zwemmers. “Een jonkie als Joris Keizer moest op de 100 meter vlinderslag in de baan naast de wereldrecordhouder zwemmen, maar dat deed hem helemaal niets. Daaraan kon je het zelfvertrouwen aflezen dat in de hele ploeg zat.” De zwemsters ontbeerden een inspirerende kopman als Wouda. Dekker: “Kirsten Vlieghuis was er vooraf in Perth zelf niet eens van overtuigd dat ze haar niveau van Atlanta zou kunnen halen.”

Een andere oorzaak voor de mannensuccessen in het zwemmen is de progressie die met krachttraining werd bereikt. Dekker: “Nog niet zo lang geleden zagen onze zwemmers er naast die van andere landen als gespierde spijkertjes uit. Daar zijn we aan gaan werken. Technisch zag het er goed uit, alleen misten we nog kracht. En als je nu dan ziet hoeveel sterker Wouda is geworden.” Dekker stelt dat de factor kracht in het zwemmen bij de mannen bepalender is dan bij de vrouwen. Toch kan er volgens de bondscoach op dat gebied ook bij die laatste groep nog veel voordeel worden gehaald. “Vlieghuis doet helemaal geen krachttraining.”

Dekker is niet pessimistisch over de toekomst van de Nederlandse zwemsters, maar heeft tot zijn spijt wel geconstateerd dat het in de breedte mager is gesteld met het vrouwenzwemmen. Waaraan het ligt, weet hij ook niet. Misschien kunnen de meeste talenten niet vele jaren de energie en het geduld opbrengen voordat ze daadwerkelijk de top bereiken. Ook al omdat de vrouwen doorgaans minder aandacht en waardering voor hun prestaties krijgen dan mannen.

Voormalig wielrenster Ingrid Haringa, nu assistent-bondscoach, kan dat beamen. “Ik merk in het wielrennen dat de vrouwen minder van alles krijgen, van materiaal tot begeleiding tot sponsoring. Ik ben vijfvoudig wereldkampioen op de baan. Als ik een man zou zijn geweest, dan was ik nu binnen. Maar ik ben een vrouw en dat is in de sport niet zo slim.”

Zelf trok Haringa zich in haar sportloopbaan niets van die discriminatie aan. “Toen ik in Atlanta twee olympische medailles won, moesten anderen me er aan herinneren dat er een premie op stond. Daar had ik me niet mee beziggehouden. Ik dacht niet aan geld. Ik wilde al die jaren gewoon het beste uit mezelf halen. Of ik er nou voor werd beloond of niet. Maar misschien maakt het voor andere vrouwen wel wat uit.”

Oud-hockeyinternational Carina Benninga vindt niet dat sportvrouwen zich moeten neerleggen bij hun tweederangspositie. “Je kan jezelf in de markt zetten. Oké, vrouwen hebben in de sport een achterstand op mannen. Maar dat was in het bedrijfsleven aanvankelijk ook zo. Rintje Ritsma heeft alles zelf geregeld. Ik zie niet in waarom een vrouw dat ook niet zou kunnen.”

De topsporter wordt in Nederland tegenwoordig met andere ogen bekeken, stelt sportsocioloog Van Bottenburg. “Nog niet zo lang geleden werd het niet erg gewaardeerd als je je als de beste van de wereld profileerde. Dat kon allemaal niet. Men had liever dat je je opstelde als Joop Zoetemelk, rustig, bescheiden, tevreden met de tweede plaats. Die tijd is voorbij. Nu word je geprezen als je de instelling hebt om het hoogste te bereiken. Ik wil goud. Maar inderdaad, bij dat beeld denk je eerder aan een man dan aan een vrouw.”

Er heerst in de Nederlandse sportwereld nog geen bezorgdheid over het achterblijven in prestaties van de vrouwen. De veranderde verhoudingen waren de sportkoepel NOC*NSF zelfs nog niet opgevallen. Het is ook niet zo dat er momenteel met medewerking van Papendal geen ambitieuze projecten lopen met vrouwen. Zo zijn er de waterpolosters die naar het olympisch goud in 2000 toewerken en de handbalsters en volleybalsters die uit de nationale competities zijn gestapt.

Aan de mentaliteit schort het ook niet, vermoeden de experts. “Vroeger had je trainingsbeesten en nu ook weer”, weet zwemcoach René Dekker. Hockeyster Benninga werd international in een tijd dat de nationale ploeg werd gedragen door een stel keiharde speelsters dat precies wist wat het wilde. Dat leverde in de jaren tachtig alle grote internationale titels op. Benninga signaleert bij de huidige generatie wel dezelfde types, maar het zijn er minder dan destijds. “Ik geloof in fases in de sport. Het verhaal van zeven goede jaren, zeven slechte jaren. Toen wij in 1984 olympisch kampioen werden, waren we al lange tijd samen bezig. Het was een groepsproces. Belangrijk is het beleid dat de coaches en bestuurders hebben. Waar willen ze naartoe? Als dat verhaal goed klinkt, krijgen de sporters er vanzelf vertrouwen in.”