Stadse visies op de minnekunst

Tirade nr. 372. Uitg. van Oorschot. Prijs ƒ 25,-, jaarabonnement (5 nrs.) ƒ 80,-.

De cycloop Polyphemus, de grote lelijke onhandige, die zo verliefd is op de nimf Galatea en probeert haar voor zich te interesseren door over zijn enorme hoeveelheid vee te praten en over zijn fantastische kazen - “en wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de wijdgespannen uiers staan”- is de oerboer, de prototypische mislukte minnaar die denkt door te patsen een meisje voor zich te kunnen interesseren. De nimf is niet onder de indruk van kaas en bokjes, bovendien is ze verliefd op de mooie Acis. J.P. Guépin citeert de cycloop die roept “Kom Galatea, en kijk niet neer op mijn cadeau's” en concludeert: “Polyphemus maakt zich belachelijk.” Alle mannen die cadeautjes aanbieden in de hoop daar een vrouw mee te verleiden maken zich belachelijk. Dat is boers. Althans, het is wat stadse lieden denken dat boeren doen. En die stadse lieden gaan dat dan belachelijk maken. Door er pastorale epigrammen over te maken, waarin de ene pummel na de andere hoog opgeeft van de fantastische cadeaus die te verkrijgen zijn als het meisje maar zou komen en tot omarmingen over zou gaan. Maar die meisjes komen nooit..

In Tirade vertaalt Guépin een aantal renaissancistische stadse visies op de boerse minnekunst: “Dus morgennacht, ontsnap je nare moeder maar,/ en haal je spulletjes bij deze hazelaar.” Het is vermakelijke lectuur in grappig levendig Nederlands vertaald.

Zo staat er wel meer in deze Tirade dat de moeite van het lezen waard is - het verhaal van Eric de Kuyper bij voorbeeld, over hoe hij een klein meisje te logeren heeft op zijn flatje in Oostende. Hij schrijft over de voortdurende verantwoordelijkheid die dat meebrengt (en dat verantwoordelijkheid heus niet zo iets verhevens is, dat verantwoordelijkheid betekent eten, drinken, slapen “en niet te vergeten de alomtegenwoordigheid van poep en pis. Verantwoordelijkheid ruikt niet altijd lekker.”) Hij vertelt hoe hij zich dingen had voorgesteld die niet gebeuren, opgetogenheid bij het zien van de zee bijvoorbeeld, en verliest zich in precieze en rake beschouwingen over het wezenlijk andere van het kind.

Hoe komt het dan dat ondanks dit stuk, ondanks de ingehouden treurige gedichten van Elly de Waard (sommige bijna Gorterachtig van taal), ondanks de 'Notities van een emigrant' van vertaler Wim Raven die naar Frankfurt is verhuisd en probeert er te wennen, dit Tirade toch niet helemaal bevredigt. Het is allemaal best aardig wat erin staat, het is afwisselend, er is eigenlijk niet dát mee aan de hand. Maar het verrast niet, het heeft geen karakter, het voegt zo weinig toe. Degenen die erin staan zouden net zo goed in een ander tijdschrift kunnen staan - iets dat Tirade niet helpen kan maar dat nu eenmaal de pest is van veel van de huidige literaire tijdschriften: ze hebben geen eigen auteurs, geen eigen gezicht, geen eigen karakter. Nu kan dat laatste Tirade in het algemeen niet ontzegd worden, het doet meer dan enig ander literair tijdschrift aan beeldende kunst.

In dit nummer blijft dat beperkt tot één stuk, dat dan ook meteen het bijzonderste is van het hele nummer - niet omdat het het best geschreven is maar omdat het iets is dat je nergens anders leest. En Eric de Kuyper, Elly de Waard, J.P. Guépin - hoe mooi en aardig ook, ze kunnen overal aangetroffen worden. Dat ene stuk dus is van Paul Gorter die schrijft over het huis van 'tante Mies' die een dochter was van Simon Maris, de zoon van de jongste van de drie schilderende gebroeders Maris. Dit klinkt heel ingewikkeld maar het doet er verder weinig toe: wat er toe doet is dat deze Simon Maris een matig schilder was, een smaakvolle maecenas en jarenlang de beste vriend van Piet Mondriaan. En in het huis van zijn dochter Mies blijkt van alles te vinden te zijn over de tijd dat Simon en Piet met elkaar optrokken. Schetsjes van Mondriaan, foto's van gezamenlijke reisjes, ansichtkaartjes van Simon aan zijn vrouw, herinneringen van gezamenlijke vrienden en vriendinnen. Gorter beschrijft wat hij vindt in het huis en en passant beschrijft hij meteen een tijd, een leven en de vergeelde en verwaarloosde restjes daarvan. Al opruimende (de zolder staat vol vuilniszakken met papieren) begint hij het 'Simon Marisarchief'. Wij wonen het ontstaan daarvan bij. En dat is prettig. En bijzonder.