Ron Ford over Thomas Hampson

Carte Blanche voor Thomas Hampson: Londonsong 8/2 Concertgebouw Amsterdam 20.15 uur. Verder: 11, 17, 19/2; 8/4; 3/5.

AMSTERDAM, 2 FEBR. “Thomas Hampson heeft veel belangstelling voor gedichten. Hij duikt altijd in de relatie tekst/muziek. Dat spreekt mij aan, want ik ben een tekstfreak. Hampson wilde graag overleggen welke gedichten ik zou gebruiken. Na veel faxen over en weer, zonder veel resultaat heb ik de knoop doorgehakt omdat anders mijn compositie niet op tijd af zou komen.”

Dit seizoen wordt de Carte Blanche-serie van het Concertgebouw samengesteld door de Amerikaanse bariton Thomas Hampson. De in Nederland wonende Amerikaan Ron Ford (1959) schreef voor het eerstvolgende concert uit deze serie Londonsong, een compositie voor twee vocale solisten en ensemble. Reinbert de Leeuw zal het Nieuw Sinfonietta Amsterdam dirigeren, terwijl Hampson en sopraan Dawn Upshaw de solopartijen van Londonsong vertolken. Verder zijn georkestreerde liederen te beluisteren van Mahler, Duparc, Ives, Copland en Wolf.

“Het is lastig een tekst te vinden die geschikt is voor een duet. Voor een solist heb je veel meer mogelijkheden. Maar als er twee zangers op een podium staan, moet daarvoor een inhoudelijke reden zijn. Zeker twee meter boeken heb ik gekocht om een toepasselijke tekst te vinden. Het leverde niets op. In een tweedehandsboekenwinkel vond ik uiteindelijk deze Nursery Rhymes of London Town. 'Nursery rhymes' is eigenlijk een verkeerde titel, een 'misnoemer.' Het zijn geen kinderrijmpjes, maar beknopte volksgedichten over verschillende locaties in Londen: over King's Cross, Knight's Bridge en zo meer. De teksten zijn niet beschouwelijk. Er gebeurt iets. Dat geeft aanleiding tot twee protagonisten.

“Twee zangers op een podium is een dramatisch gegeven, dat is theater. Daarom vond ik het belangrijk het orkest niet slechts te laten begeleiden, maar heb ik het juist een actieve rol toebedeeld. Nadat Hampson en ik het stuk samen hadden doorgezongen, vroeg hij meteen waarom het slot zonder vocale solisten was. Hij leek een beetje teleurgesteld. Ik heb daar echter lang over nagedacht. De muziek vroeg erom. De compositie eindigt met een heel zielig liedje. Er komen steeds meer lange rusten tussen de gezongen frasen. Als een kauwgumpje rekt het stuk zich aan het einde uit. Daarom vond ik het gepast om aan het slot toch alleen het ensemble te laten spelen.

“Als Hampson zijn mond opendoet, is het theater. Op een intuïtieve manier heb ik rekening gehouden met zijn dramatische kwaliteit. Ik heb veel van zijn platen beluisterd, en de klank van zijn stem in me opgenomen. In mijn hoofd zie en hoor ik altijd de mensen waarvoor ik een stuk schrijf. Zodoende heb ik voor Dawn Upshaw een prachtige heldere lijn geschreven in het lied Welsh Harp. Alleen maar dalende noten. Dat zal bij haar heel sprekend klinken.

“Hampson en Upshaw hebben een evenredig aandeel in het stuk. De compositie bestaat uit acht korte, aaneengeschakelde liederen. Het is geen cyclus, maar één stuk over een ontwerp dat uitblinkt in zijn verscheidenheid. Ieder lied heeft een eigen klank, en een eigen manier van vertellen. Het is een stuk waarop de zangers meteen greep hebben. Maar ik weet nu al dat ik heel zenuwachtig zal zijn. Ik voel me verantwoordelijk: ik presenteer iets, dus moet ik zorgen dat het niet alleen maar aangenaam is, maar ook verrassend. Dat het publiek op het puntje van de stoel zit. Als de compositie vijftien minuten duurt, dan voel ik me voor vijftien minuten maal duizend mensen verantwoordelijk.”