Lichtekooi

Voor vrouwen die het oudste beroep ter wereld uitoefenen, bestaan ontzettend veel benamingen. Een paar kennen we er allemaal wel. Hoer, temeier, slet, snol, prostituee, publieke vrouw en meisje van lichte zeden zijn algemeen bekend. Maar er zijn er nog veel meer. Sjieke zijn cocotte, hetaere, maintenee en meretrix.

In oude teksten stuit je op benamingen als blauwe begijn, pastorsnichtje, sekreet, snoer, stoepjuffer, troeteljuffer, trui, vel, venusdier, venuspriesteres en wafelmeisje (naar de wafelkramen waar zij hun klanten oppikten). In bijbelvaste kringen sprak men van een Jezebel - naar Openb. 2:20 - en in het leger onder meer van piekenschuurster en meisje van de lichte cavalerie.

Vanzelfsprekend zijn de meeste namen te vinden in het Bargoens. Dat is immers de taal van de dieven, pooiers en zwervers. De dieventaal kent minstens dertig verschillende woorden voor prostituee. Tot de aardigste behoren doorgefourneerd lommerdbriefje, kachelientje, karpertje, slenterkat, turkse tafelschel, zoetelel en zwaantje. Al die woorden werden in het begin van deze eeuw in Amsterdam gebruikt. Aan het eind van de jaren vijftig werden bovendien nog natte kip en stangenpoetser gesignaleerd.

Het is niet vreemd dat er zo veel van die namen zijn. Prostitutie is lang verboden geweest en dus was er behoefte aan bemantelende termen. De lage status van hoeren leidde tot veel negatieve benamingen. Bovendien hadden hoerenlopers behoefte aan verzachtende of versluierende uitdrukkingen. Je zegt makkelijker dat je af en toe een meisje van plezier bezoekt dan een slet.

Een van de oudste benamingen voor een vrouw 'in het leven' is lichtekooi. Dit woord is in het midden van de zestiende eeuw voor het eerst aangetroffen, in een klucht van L. Jansz. Jansz spreekt van “een hoerken of een licht kooiken”. Eerder, in 1474, is 'Lichtekoey' gevonden als de achternaam van een visser.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw wordt lichtekooi regelmatig gebruikt, ook door een man die zelden met hoeren wordt geassocieerd, namelijk vadertje Cats. In 1635 schreef Cats in een gedicht waarin ook sprake is van boevenschuim, bordeelbrokken, eerrovers, lanterfanters, maagdenschenders, slampampers, trouwhaters, venusjankers en wijnzuipers:

Waer ick een ligte-koy of van de geyle vrouwen Die uyt een krielen aert de Vryers onderhouwen.

Volgens sommige woordenboeken is lichtekooi inmiddels verouderd, maar een steekproef in enkele grote databestanden toont aan dat het tegendeel het geval is. Het komt jaarlijks tientallen malen in kranten voor, het is gebruikt in titels van boeken, toneel- en muziekstukken, en op de een of andere manier hebben vooral toneelrecensenten er een zwak voor. Ook nu wordt het soms nog door dichters gebruikt. Zo publiceerde Het Parool een paar jaar geleden het volgende gedichtje, helaas zonder de dichter te noemen:

Voor haar prestaties gaf ik haar een fooi. Maar woedend keerde toen de lichtekooi De brandend hete pan om op mijn hoofd Met flink bedorven Vlaamse waterzooi.

Over de herkomst van lichtekooi is het nodige te doen geweest. De eerste verklaringen dateren uit het begin van de achttiende eeuw. Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw is er heel wat over geschreven. De reden zal zijn dat licht en kooi op zich duidelijk zijn, maar dat het woord als samenstelling duister is - en dat kunnen taalkundigen niet uitstaan.

Alles bij elkaar hebben zij zeven verschillende verklaringen verzonnen. Met name in het begin ontbreekt iedere bewijsvoering en lijkt men vooral eens flink aan de duim te hebben gezogen. Oordeel zelf. 1. Een lichtekooi is iemand die licht te kooi gaat, dus makkelijk met iemand naar bed gaat; 2. Kooi is een verbastering van keu 'varken'. Lichtekooi moet dus worden opgevat als 'licht varken'; 3. Hoeren werden in de Middeleeuwen voor straf opgesloten in een ijzeren kooi die snel heen en weer werd gedraaid. Vandaar (?) lichtekooi; 4. Lichtekooi komt van lichte koe, wat moeten worden uitgelegd als 'gewillige koe' (deze theorie is van Willem Bilderdijk); 5. Kooi betekent 'maagd, meid, deerne'. Een lichte kooi is dus een 'vrouw van lichte zeden'; 6. Kooi betekent 'billen, kont'. Een hoer is iemand die haar kooi oplicht, een vrouw die met haar achterste loopt te draaien om klanten te lokken; en 7. Kooi is 'kont' en licht staat voor 'lichtzinnig, losbandig'.

Van deze zeven verklaringen zijn alleen de laatste twee overgebleven. Men is het er wel over eens dat kooi hier 'kont' betekent. Onduidelijk blijft of licht nu moet worden opgevat als 'lichtzinnig' of dat het gaat om het 'oplichten' van de billen. Wat sterk voor die laatste interpretatie pleit, is dat veel woorden voor 'hoer' met een vergelijkbaar naamgevingsmotief zijn gevormd. Sommige zijn ongeveer net zo oud, andere jonger. Maar allemaal benadrukken ze dat dames van verdachte of lichte zeden graag met hun kont wiebelen.

T.H. Buser, de letterkundige die in 1859 als eerste in deze richting wees, schreef: “Een lichtekooi is een vrouwspersoon dat beweeglijk is van billen, ze telkens rechts en daar weêr links draait, beweegt, schudt of doet schudden of trillen.”

Hetzelfde zien we in benamingen als draaigat, draaiaars, drevelgat, hillebil, hillegat, klakkooi, klikkebil, klikkooi, kwikkebil, schuddegat, schuddemarjan, swaddergatje, wappergat, wipaarsken, wipding en wipgat.

U ziet: aan de namen voor lichtvoetige meisjes komt geen einde.