Een knippe beurs

Mijn huis in het Brabantse Sint-Michielsgestel kijkt met de achterkant uit op het riviertje de Dommel. Omdat ik mijn schuur, die aan de waterkant staat, heb verbouwd tot kantoortje kijk ik er dus vaak op uit. Wie daarbij denkt aan een lieflijk watertje dat zich, omzoomd door struweel, kabbelend Maaswaarts begeeft, moet ik teleurstellen.

Wat ik zie is een vaart van zo'n vijftig meter breed met steile oevers. Verder liggen er zelden gebruikte vissersbootjes in waarvan het grootste deel onder water staat. De bodem van het riviertje is ernstig vervuild met cadmium dat destijds meedreef uit de stroomopwaarts gelegen zinkfabrieken. Toch houden we zo van het stroompje dat we bij het zien ervan, als we het op de A2 onder Boxtel passeren, altijd zeggen: “Dommeltje, we komen er aan.”

Eerlijk gezegd vraag ik me af hoe mijn schuur ooit de toets der kritiek van de welstandscommissie kon doorstaan. De wijze van bouwen van die schuur én van andere schuren en huizen wijst er op dat de gemeenschap het riviertje ondankbaar de rug heeft toegekeerd. Alleen een blauwe reiger en een houtwal, waarachter de contouren van het Instituut voor Doven zijn te zien, herinneren eraan dat we hier met natuur van doen hebben.

De Dommel ontspringt in de Belgische Kempen en loopt via Eindhoven en 's-Hertogenbosch naar de Maas. Een jaar of dertig geleden werd besloten het vrolijk meanderende stroompje te 'normaliseren' zoals dat toen werd genoemd. In die dagen gold dat alle water zo snel mogelijk naar de zee moest. Aan natte voeten hadden vooral de boeren een broertje dood.

In ons dorp bestaat een actieve natuurgroep. Die maakte het plan De Groene As om de Dommel weer in zijn oude luister te herstellen. Daarom werd er onlangs in het gemeenschapshuis een informatiebijeenkomst belegd die druk werd bezocht. Aanlokkelijke toekomstbeelden ontvouwden zich. Er werd gesproken over de terugkeer van de dotterbloem, de lange ereprijs, en rietkragen en over de bunzing, de waterspitsmuis, de salamander, de grote weerschijnvlinder en de ijsvogel. In plaats van de stuw zou er een vistrap komen waarlangs de rivierprikken en de zalm zich vrijelijk kunnen bewegen.

Een ambtenaar van de gemeente Geldrop kwam vertellen hoe in de afgelopen jaren de dichtgemaakte meanders van de Dommel, die ook dwars door de gemeente Geldrop loopt, over een afstand van 1.900 meter weer waren opengemaakt. De vervuilde grond werd gebruikt voor de aanleg van een geluidswal langs de autoweg Eindhoven-Venlo. Om overstromingen tegen te gaan werd er extra waterbergend vermogen gegraven. Hij liet met behulp van dia's zien hoe sindsdien het riviertje weer een lust voor het oog is.

De meeste van de toehoorders tijdens de bijeenkomst waren enthousiast. “Sint-Michielsgestel”, zo sprak een van de inleiders, “wordt straks de parel van de Meierij.”

Maar, zoals dat gewoonlijk bij dit soort bijeenkomsten gaat, er zijn altijd mensen die hun best doen de euforie te verstoren. Bovendien zijn ze zo lang aan het woord dat van gedachtenwisseling nauwelijks meer iets terechtkomt.

Een van hen was de CDA-wethouder wiens aangezicht dezer dagen dorp en ommelanden siert, want de gemeenteraadsverkiezingen komen eraan. Hij had het over de knippe beurs van de gemeente en toen iemand hem de beginseluitspraak probeerde af te dwingen dat er nooit meer in het Dommeldal mag worden gebouwd, sprak de vroede vader dat in dat geval de gemeente met een deficit kwam te zitten van anderhalf miljoen gulden wegens de onverkoopbare gemeentegrond.

De ambtenaar uit Geldrop was het zuinige mondje van de wethouder opgevallen. Na afloop zei hij: “Wat maakt die man zich druk over de kosten als al 50 procent subsidie is toegezegd en als bovendien blijkt dat je met zo weinig geld zoveel kunt doen. Bij ons in Geldrop kostte het 1,6 miljoen. Maar daar zaten ook nog een sluis in en grondverwerving. Uit wat in Sint-Michielsgestel werd gepresenteerd, begreep ik dat het daar met bescheiden middelen en met belangrijke financiële steun van het Instituut voor Doven dat aan de Dommel grenst, kan gebeuren.”