Andriessen geselt tot hogere extase

Concert: ASKO en Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Tomoko Mukaiyama. L. Andriessen: Trilogie van De Laatste Dag. Radio: 3/2 Radio 4 20 uur; tv: 15/3 Ned. 3 13 uur.

Een viering van een uitzonderlijke gebeurtenis, zoals de duizendste Matinee op de Vrije Zaterdag, met Louis Andriessens Trilogie van De Laatste Dag - Nederlandser en zwaarder op de hand lijkt niet te kunnen. Tot de beste herinneringen aan het Holland Festival behoren requiems van Verdi, Britten en wie al niet, met als hoogtepunt Bernd Alois Zimmermanns Requiem für einen jungen Dichter. Daarin wordt het verval van de twintigste eeuw breed uitgemeten middels uitspraken van Hitler en de paus. Andriessen is gestileerder en heeft niets met Zimmermann gemeen, die zelfs in abstracte muziek grossierde met het Dies irae.

In het eerste deel (De Laatste Dag, 1996) gaat het even fout. Opeens klinkt een knisperende knekelmuziek die in het geheel niet bij Andriessen past, maar hoogst karakteristiek is voor Zimmermann, Lachenmann en al die andere expressionisten. De griezelaspecten in het derde deel, dancing on the bones (1997) detoneren minder. De volgehouden pendelbeweging lijkt geïnspireerd door Saint-Saëns' Danse macabre. Met zo'n Classic FM-muziekje zou ik niet een machtige trilogie besluiten.

'Het avondmaal smaakte naar zweet en bloed, midden op de tafel stond naast het brandende broodrooster de laatste beker leeg als een onthoofd lichaam', dichtte Lucebert in 1993 reeds in het aangezicht van de dood. Met deze tekst betrok Andriessen zowel de religieuze als de rituele kant van de dood in zijn muziek. Ook zal het realisme, dat dwars door dit poëtische surrealisme heen breekt, de componist hebben aangesproken, getuige zijn eigen gedicht dancing on the bones in een realistische opsomming van de dood in klinische zin.

Zo helder als het kinderkoor De Kickers het laatste deel declameerde, zo onduidelijk bleef de bijdrage van het mannenkwartet uit het Nederlands Kamerkoor in het eerste Lucebert-deel. Maar dit 'zwetende' zingen bij een geseling van het orkest in striemende klappen als van rammelende kettingen verhoogt de extase en tekent Andriessen ten voeten uit.

Uiteraard had Zimmermann zich nooit gewaagd aan de speelse grand guignol van 'een juffrouw met haar meid/het ellendig doodshoofd', door Andriessen afgewisseld met en verweven in Luceberts magistrale poëzie. Niet zonder betekenis duikt het begrip 'Appassionata' op, daar waar het orkest als het ware ademloos naar het relaas van het jongetje (Ferco Kol) luistert alvorens te besluiten hem te volgen. Op het Holland Festival 1996 wist ik er niet goed raad mee. Nu overtuigde dit effect, dat staat of valt met de uitvoering.

Verreweg het fraaist vind ik het middendeel Tao (1996). Weer zijn twee teksten verwerkt, ditmaal interpoleert Andriessen niet de gedichten, maar monteert hij de bijpassende muzieken over elkaar heen. Een fragment uit Tao-tetjing, het klassieke boek van de taoïsten, wel eens toegeschreven aan Lao-tse, sluit schitterend aan bij de strak-rituele, quasi Chinese muziek. IJzingwekkend fraai is de encadrering. Hooguit vallen er vraagtekens te plaatsen bij het expressionistische gedicht over het wetten van een mes van Kotaro Takamura, door Tomoko Mukaiyama, hoe subtiel op zichzelf ook, in dit verband toch iets te lieftallig met koto begeleid voorgedragen. In ieder geval bieden de gulzige pendelbewegingen van het volgende deel een dankbaar contrast.

Strenge vormen, swingende bewegingen, onafwendbare versnellingen, een directe toon, ze waren er weer. Maar 'Le bulldozer' (Le Monde) is mededeelzamer geworden, gehoord de verfijningen in de strijkers en de bijna romantische vervoering. Reinbert de Leeuw en de zijnen zorgden ervoor dat de luisteraar bij zijn nekvel werd gepakt en niet meer losgelaten.