ZEDENPREDIKER IN WERELD VOL DOPING

Komt doping in de Nederlandse sport voor? Een duidelijk antwoord op die vraag is niet mogelijk. In Nederland bestaan namelijk nauwelijks controles. Mr. Emile Vrijman (35), directeur van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken, stuit op een muur van hypocrisie die de sportbonden optrekken. “Ik durf mijn hand niet in het vuur te steken voor de Nederlandse sporters in Nagano.”

Ongepast noemt Emile Vrijman het plan van de Nederlandse zwemmers om niet naar de wereldbekerwedstrijden in Peking te gaan. Bijna hypocriet vindt hij de beschuldigende manier waarop zij naar de Chinese zwemmers wijzen, omdat deze hun prestaties te danken zouden hebben aan het gebruik van groeihormonen en andere dopingmiddelen. “Het is een uitermate zwak verhaal altijd anderen te beschuldigen, terwijl je zelf niet eens kunt bewijzen dat je niet hebt gebruikt. Nederlandse zwemmers worden pas sinds een half jaar in eigen land buiten wedstrijden gecontroleerd op doping. Bovendien valt in zo'n korte periode voor de wereldkampioenschappen nauwelijks na te gaan of hormonen zijn gebruikt. Daarvoor moet je minimaal een jaar stelselmatig controleren.”

Het gaat er Vrijman niet om de Nederlandse zwemmers in een kwaad daglicht te stellen. Hij vindt ze alleen maar 'dom'. “De zwembond heeft het NeCeDo pas na de Olympische Spelen van Atlanta gevraagd om regelmatig controles te doen. Maar dan nog is het zwak dat wij de data niet mogen bepalen. Wanneer wij op onverwachte tijden controleren is dat veel eerlijker. Het is wel opmerkelijk dat er na de Spelen van 1996 ineens meer interesse was voor preventieve dopingcontroles. Ze zijn natuurlijk geschrokken van de progressie van onze sporters in Atlanta. Ze dachten: het zal toch niet gebeuren dat onze jongens op doping worden betrapt?”

Vrijman zegt zich dood te schamen voor zoveel naïviteit. “De Chinezen hebben toevallig veel meer dopingcontroles dan Nederland. Het aantal controles is na de grote dopingaffaires van de schaatser Goeljajev en atleet Johnson in 1988, en van atlete Krabbe in 1991, toegenomen van 60.000 naar 90.000. Maar in Nederland is het aantal over die periode gezakt van 1.200 naar 600. En Nederland had toch ook de affaire van wielrenner Theunisse, van kogelstoter De Bruin en nu van sportarts Sanders, de voormalige medische begeleider van de wielerploeg PDM? In Nederland is geen dopingbeleid. We lopen niet in de pas, we gaan er zelfs recht tegen in.”

Hij stoort zich aan de verhalen van internationale zwemmers en atleten en zelfs van gezagsdragers als staatssecretaris van sport Terpstra, dat de DDR-sporters hun medailles moeten afstaan en hun wereldtitels ongeldig verklaard moeten worden omdat bekend is geworden dat in de DDR op grote schaal doping is gebruikt. “Ik zou aan de voormalige zwemster Conny van Bentum willen vragen: bewijs maar eens dat je zelf clean was. En wat doen we met Nederlandse of Amerikaanse zwemsters die in die tijd een meisje uit de DDR versloegen. Annemarie Verstappen heeft ook een gouden medaille gewonnen, maar ze is nooit op lange termijn gecontroleerd.”

Het is zo typisch Nederlands om buitenlanders met de vingers na te wijzen. “Alsof hier geen slechte dingen voorkomen. Nederland staat wel bekend als een land waar alles kan wat God verboden heeft. Dat werkt in ons nadeel. Wij zijn erg geneigd om niet naar onze eigen problemen te kijken. Nico Rienks, die fantastische roeier, kennen we als een intelligente, integere jongen. Hij zit nu zelfs in het bestuur van het NeCeDo. Maar hij is in negen jaar slechts driemaal gecontroleerd. De roeibond controleert zelfs helemaal niet. Vindt ze niet nodig. Maar mijn buitenlandse collega's van anti-doping organisaties vragen zich wel hardop af waarom die Holland Acht maar één keer presteerde en goud won.”

Vrijman zegt ook vragen te krijgen over de eenmalige topprestatie van Ellen van Langen op de Olympische Spelen van Barcelona. En zo zou hij een heel rijtje Nederlanders kunnen opnoemen, waarover men in het buitenland twijfels heeft. “Het plotselinge succes van de judoka's bijvoorbeeld, jongens die in korte tijd groot, sterk en gespierd zijn geworden. Het succes van schaatser Jan Bos is ook moeilijk uit te leggen aan een buitenlander. Een middelmatige allround schaatser die opeens wereldkampioen op de sprint wordt. Ik heb genoten van zijn wedstrijden. Maar het eerste waar ik aan denk als ik een Nederlander een topprestatie zie leveren is of we hem wel hebben gecontroleerd. Gelukkig hebben we dat bij Bos tijdens zijn voorbereiding op Nagano twee of drie keer gedaan.”

Het is duidelijk: Laat de Nederlanders eens in de spiegel kijken. “Toen het NeCeDo buiten NOC*NSF om zelf op grotere schaal controles ging uitvoeren, kwamen we uit op 3,7 procent positieve gevallen. We constateerden bij een keeper van FC Den Bosch cocaïnegebruik. Dat staat niet voor niets op de lijst. Een voetballer onder invloed van cocaïne is een gevaar voor de tegenstander. En er waren een paar waterpoloërs die in België aan een controle weigerden mee te werken. In 1988 zaten we op 6,4 procent, in 1990 op 4,8 procent. In de ons omringende landen ligt het gemiddelde op anderhalve procent positieven.”

Sinds 1990 bestaat het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken. Na een verblijf op Papendal, zetelt het instituut nu op de bovenste etage van een pastorie in Rotterdam. In het begin had directeur Vrijman, jurist en oud-atleet, de beschikking over één medewerker en een secretaresse. Daarvoor kreeg het NeCeDo een overheidssubsidie van 750.000 gulden. Het personeelsbestand is intussen uitgebreid tot twaalf mensen, maar de subsidie bedraagt slechts 640.000 gulden, een bedrag dat weliswaar wordt aangevuld met een bijdrag uit het preventiefonds van NOC*NSF. Op jaarbasis werkt het NeCeDo met een budget van 1,2 miljoen gulden. “Het is behelpen”, zegt Vrijman die zich ondanks allerlei onderzoeken en campagnes, die eens met veel aplomb door overheid en NOC*NSF onder de aandacht werden gebracht, nog steeds niet serieus genomen voelt. “Ik ben lastig, een zeurpietje, een zedenprediker.”

Een paar jaar geleden sprak een grote meerderheid van de Nederlandse sporters zich uit voor intensivering van dopingcontroles; niet alleen na de wedstrijden, maar ook tussentijds, de zogenoemde out-of-competition controles. Nederland werd gedwongen zich vast te leggen in een convenant van de Raad van Europa en is daarom verplicht een dopingbeleid te voeren. Dat betekent voorlichting geven, maar ook dat alle bonden over een dopingreglement moeten beschikken en dus regelmatig dopingcontroles moeten laten uitvoeren. Die afspraak wordt niet nagekomen. En als dat zo blijft vreest Vrijman dat Nederland geweerd kan worden van internationale wedstrijden.

“Veel bonden hebben geen dopingreglement, hoewel dat door de overheid wettelijk verplicht is”, zegt Vrijman. “Bij de zaak van dokter Sanders bleek dat hij ook doping verstrekte aan ijshockers en handballers. En dan te bedenken dat de ijshockeybond en de handbalbond geen dopingreglement kennen. Die van de schaatsbond deugt van geen kanten. De roeibond zegt gewoon: 'Wij hebben geen problemen, niks aan de hand. Staatssecretaris Terpstra heeft nu voor de zoveelste keer gedreigd met korting van de subsidies als er geen dopingreglement komt. Maar ze schuift de deadline telkens voor zich uit. Het is alsof je de bonden moet dwingen om de regels uit te voeren.”

Voor de zoveelste maal zou Vrijman aan alle bonden willen uitleggen dat controles niet alleen moeten worden uitgevoerd om te kijken wie er positief is. “Het gaat er om dat een cleane sporter kan bewijzen dat er niks aan de hand is. Het is een verzekering. De bonden denken dat het te veel geld kost. Een controle kost vijfhonderd gulden, inclusief het vervoer naar Los Angeles. Als het dopinglaboratorium in Utrecht zijn licentie had behouden en er tweeduizend controles per jaar hadden kunnen worden uitgevoerd, was het goedkoper en waren we er zeker van dat geen procedurefouten kunnen plaatsvinden. Daarom word ik boos als NOC*NSF bij monde voorzitter Huibregtsen zegt dat het in Los Angeles prima is. De overheid heeft geen zin in de financiering van zo'n lab. Dat is de verantwoordelijkheid van de sportbonden, wordt gezegd. En zo is de cirkel rond.”

Vorige week presenteerde het NeCeDo een onderzoek naar kennis bij huisartsen over dopinggeduide middelen. “Het was onthutsend zo weinig ze weten over doping. Aan de hand van een onderzoek werden een paar jaar geleden door het Medisch Genootschap nog gedragsregels voor artsen die zich in de sport begaven opgesteld. Nou die artsen doen nog steeds maar. Ze weten niets over dopingreglementen en wat er omgaat in de dopingwereld. Daarnaast zijn er veel sportartsen die zelf willen uitmaken welk middel ze verstrekken. Ik vertrouw ze niet meer. Ze zijn net niet pro-doping, maar pas op. Sommigen verstrekken doping en zitten gewoon in het bondsbestuur. Hoe hypocriet kan een bond zijn? Een sportarts is een veredelde fan.”

Over doping praten is taboe in Nederland, ervaart Vrijman. “Omdat doping een negatief geladen woord is spreken wij van verkeerd gebruik van medicamenten. Want het gaat ons echt niet om mensen te pakken, het gaat ons om ze te waarschuwen. Er hoeft maar één affaire met een Nederlander te komen en de hele wereld wijst naar Nederland, net zoals ze nu naar China wijzen.”

Hij zou er bijna cynisch van worden. “Maar als ik dat doe, hebben we helemaal geen basis van vertrouwen meer. Ik word wel moe om bij een bond voor de vijfhonderdste keer hetzelfde verhaal te houden en vooral van al die mooie praatjes dat het zo goed gaat met de controles. Ik weet dat de waarheid anders is. Er wordt gewoon keihard gelogen. Bestuurders die hun sporters 48 uur van tevoren waarschuwen als er door ons gecontroleerd gaat worden. We proberen alleen nog maar met onafhankelijke mensen de controles uit te voeren. Eerst deden we dat met mensen uit de bond die een cursus voor controleur kregen. Maar dat vertrouwen we niet meer. We doen het nu met medische studenten. Maar dan krijg je weer dat zo'n jongen zich bij een voetbalclub laat wegsturen door een coach die niet gediend is van dopingcontroles.”

Vrijman zegt: “Ik durf mijn hand niet in het vuur te steken voor de Nederlandse sporters in Nagano. Ze zijn allemaal gecontroleerd door ons. Maar we zijn er veel te laat mee begonnen. Schaatsen is ook helemaal geen cleane sport, kijk de internationale statistieken er maar op na. De schaatsbond wil er niet aan. Die laat het liefst controles uitvoeren door een arts die zelf mag bepalen wie en wanneer hij controleert. Ik zou nu al bezig willen zijn voor de Spelen van 2000 in Sydney. Dan kunnen we stelselmatig dopinggebruik controleren, zeker op anabolica, waarvan de uitwerking zeker vier maanden positief kan naijlen.”

Hij durft het bijna niet te zeggen. “Als we de komende weken een positief Nederlands geval krijgen, zit ik goed. Dat zou een goede zaak zijn. Schrikken ze eindelijk wakker. Maar als ik zoiets zeg, ben ik weer een dopingjager.”