Vrees voor toekomst Zeeuwse industrie

Zeeland verwacht een economische impuls van de tunnel onder de Westerschelde. Tegelijk bestaat echter grote zorg over de toekomst van de provinciale industrie.

VLISSINGEN, 31 JAN. Kleine gasvlammetjes op de fakkelpijpen van de Total-raffinaderij en rokende schoorstenen op een fabriek die tot voor kort tot het Duitse chemiebedrijf Hoechst behoorde zijn 's avonds de enige tekenen van activiteit op het industrieterrein van Vlissingen-Oost, het Sloegebied. Al is in het donker geen personeel te zien, de productie bij grote bedrijven als Total, Thermfos (forsfor), Elf Atochem, Pechiney en de energiecentrales van EPZ gaat constant door.

Bij de meeste ondernemers heerst echter grote bezorgdheid over de toekomst van deze ruggengraat van de Zeeuwse industrie. Ze morren over “het ontbreken van een echt industriebeleid” en “rigide toepassing van milieuregels” in een provincie die volop ruimte heeft, goede havenvoorzieningen en geen verkeerscongestie. Het Sloegebied, een paradepaardje van Vlissingen en Zeeland, is nog maar half bebouwd.

“We hebben hier te maken met een structurele de-industrialisatie”, zegt ir. Carel Braakman, algemeen directeur van Elf Atochem en tot voor kort voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO in Zeeland. “De regionale economie trekt gelukkig aan, maar daarmee mag de provincie zich niet rijk rekenen. Het wordt vooral veroorzaakt doordat grote industriële bedrijven afslanken, zich op kernactiviteiten terugtrekken, allerlei takken van sport afstoten en daarmee hun omzet en winstgevendheid verhogen. Met minder werknemers meer doen, dat is de boodschap. Maar tegelijkertijd wordt de Zeeuwse economie kwetsbaarder.”

Het provinciebestuur klopt zich op de borst met een aantrekkende werkgelegenheid in midden-en kleinbedrijf, 'zakelijke dienstverlening', adviesbureaus, toerisme en recreatie. En met zonnige groeiprognoses van het economisch adviesbureau Nyfer van professor Eduard Bomhoff. In haar sociaal-economische beleidsplan voor 1998 tot 2002 straalt de provincie optimisme uit, al signaleert zij bedreigingen in de industriële sector. Gedeputeerde Daan Bruinooge, die de portefeuille Economische Zaken beheert, wil ook na herhaalde pogingen geen commentaar geven op vragen over de actuele ontwikkeling van het bedrijfsleven.

Van 1991 tot 1995 kende Zeeland een gemiddelde economische groei van 0,7 procent, tegen landelijk 2,5 procent. Volgens het CBS werd die afstand vooral veroorzaakt door de grote invloed van de kwakkelende chemiesector in de provicie.

De Zeeuwse werkloosheid daalt door toeneming van de werkgelegenheid, maar trager dan landelijk. Volgens het CBS is de werkloosheid in Zeeland procentueel iets lager dan gemiddeld in Nederland. Het Regionaal bureau voor de Arbeidsvoorziening hanteert daarnaast echter een ruimere definitie waarin ook werkzoekenden met 'kleine baantjes' worden meegeteld. Dan blijkt Zeeland er ongunstiger dan het landelijke cijfer uit te komen.

Voor 1997 en 1998 verwacht Nyfer een groei van het regionaal bruto product voor de provincie van 6,0 en 4,8 procent, aanmerkelijk hoger dan de prognose voor de landelijke groei: respectievelijk 3,2 en 3,3 procent.

Maar Carel Braakman waarschuwt: “Je moet goed onderkennen dat de industrie steeds meer uitbesteedt aan andere bedrijven. Hoe meer de industrie afslankt, hoe groter het risico dat een basis wegvalt. Internationale ondernemingen komen in de verleiding dochters hier af te stoten als de kosten te hoog blijven, zoals bij Hoechst. De positie van de kleinere bedrijven lijkt wel beter, maar in werkelijkheid zijn ze kwetsbaarder want zij zijn vooral toeleveranciers en dienstverleners voor de industrie.”

Braakman bezoekt elke twee weken het hoofdkantoor van zijn moederconcern in de Parijse kantoorwijk La Défense. “Daar zitten Total, Elf Aquitaine, Elf Atochem en Pechiney vlak naast elkaar. Ze houden onze productiekosten scherp in de gaten. Geef Atochem in Parijs eens ongelijk: wij hebben in tien jaar tijd 16 miljoen geïnvesteerd in milieuvoorzieningen. Na jaren van verliezen ben ik erin geslaagd vorig jaar een winst van zes ton te boeken.”

De recente ontwikkelingen in Vlissingen zijn weinig hoopgevend en doen een kenner van het Zeeuwe bedrijfsleven in Goes verzuchten: “Als dit maar niet het begin van een industriële leegloop is. Van de toegevoegde waarde die de Zeeuwse economie genereert komt 40 procent uit de industrie. Vooral de chemie, die conjunctuurgevoelig is en 80 procent van zijn producten exporteert, is sterk vertegenwoordigd. De internationale concerns willen tegenwoordig een rendement op hun vermogen van 20 procent. Dat halen de meeste dochters in Zeeland op geen stukken na.”

Koninklijke Schelde (marineschepen, machines en energie-installaties) vecht met overheidssteun voor zijn voortbestaan en kromp de werkgelegenheid in met 700 man. Hoechst heeft zijn vestiging in Vlissingen-Oost opgedeeld en voor het grootste deel verkocht met een verlies van 500 banen. Het Duitse chemieconcern trekt zich terug op de best renderende activiteiten: farma en gewasbeschermingmiddelen.

Pechiney Nederland zet zijn reorganisatie door en zal het personeelsbestand vóór 2001 van 850 naar 760 verminderen. Deze aluminiumsmelter kan op langere termijn alleen winstgevend blijven als extra goedkope elektriciteit wordt aangeboden. In de jaren '70 werd voor dat doel de kerncentrale Borssele gebouwd, maar die moet van de Tweede Kamer in 2003 dicht: een verlies van bijna 1.000 banen.

Jan Milhous, die 30 jaar als financieel specialist voor Hoechst Holland heeft gewerkt en nu directeur is van een afgesplitst servicebedrijf dat met een nieuwe eigenaar wordt voortgezet, vindt het “treurig als de nucleaire industrie hier verdwijnt. We hebben een internationaal concurrerende elektriciteitsprijs nodig. Die hebben we nu, mede dankzij het basisvermogen van Borssele, een centrale die net helemaal is gemoderniseerd.” Ook in de 'kanaalzone' van Zeeuws-Vlaanderen (Gent-Terneuzen) maakt de industrie een moeilijke periode door. De chemiefabriek Dow Benelux bracht het aantal personeelsleden de afgelopen jaren terug van 3.000 naar 2.000. Het moederconcern in Amerika voorziet dit jaar wereldwijd een scherpe daling in de resultaten en wil de structurele kosten met nog eens 1 miljard dollar verlagen. Terneuzen heeft de grootste vestiging van Dow in Europa en zal daaraan een steentje moeten bijdragen.

Philips Lighting in Terneuzen verminderde het aantal banen in 1995 met 90. Deze week werd bekend dat deze vestiging niet de productie van een nieuwe spaarlamp krijgt toegewezen, omdat die goedkoper kan worden gemaakt in Polen.

Een van de fabrieken van het staalbedrijf Outokumpo (70 man) werd vorig jaar gesloten en Engelhard, fabrikant van katalysatoren voor de olie-industrie (200 banen), ging ook dicht. ACS in Sluiskil, een fabriek die cokes maakt voor staalbedrijven in België, Duitsland en Frankrijk, staat op termijn voor een investering van 400 miljoen gulden voor vernieuwing van zijn ovens, maar kan met “technische vernieuwingen” nog wel een aantal jaren vooruit.

De gemeente Terneuzen ziet met lede ogen haar inwonertal teruglopen: een daling met 440 sinds 1996. “We hopen dat het nu stabiliseert en dat we door nieuwe economische activiteiten die de tunnel onder de Westerschelde vanaf 2003 kan genereren weer een groei zullen doormaken”, zegt Cor Goossen, chef Financiën op het gemeentehuis.

Rinus Stoffels, president-commissaris van uitzendbedrijf Verbego International in Terneuzen en lid van Provinciale Staten (CDA), wijst op de zuigkracht die België door aantrekkelijke vestigingsvoorwaarden op de kanaalzone uitoefent. “Stora, een fabriek die pulp voor de papierfabricage maakt, is daardoor al verhuisd van Vlissingen-haven naar Zeebrugge. De Belgen bieden bedrijven goedkope grond aan en verstrekken subsidies. De gouverneurs van West- en Oost-Vlaanderen zijn actief op het wervingspad. Ik denk dat Nederlandse overheden in dit opzicht te puriteins zijn. Van een interregionale, grensoverschrijdende samenwerking, die door onze fractie in de Staten vaak is bepleit, komt nog niet veel terecht.”

Secretaris Wies Saman van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging erkent dat de industrie - “hèt trekpaard van de Zeeuwse economie” - in de knel zit, maar ziet voor Zeeuws-Vlaanderen lichtpunten: “Dow in Terneuzen heeft het industrieterrein 'de Mosselbanken' van 200 hectare tot zijn beschikking, waar nieuwe activiteiten te verwachten zijn. Vrijwel zeker is dat een Amerikaans bedrijf zich daar vestigt om basisproducten van Dow te verwerken. Serestar in de kanaalzone, dat zetmeel en zetmeelderivaten maakt op basis van maïs en tarwe, expandeert met een investering van 300 miljoen gulden. En Hydro Agri, de kunstmestproducent in Sluiskil, doet voortdurendnieuwe investeringen.”