Vier programma's en één begroting

De vier grote politieke partijen roepen hun kiezers bijeen: 'we moeten investeren in de toekomst' want er valt 'een wereld te winnen'.

Mooie titels voor programma's (van respectievelijk VVD en PvdA), die deze keer vooral opvallen door solide overeenstemming voor wat betreft de toekomstige begroting van het Rijk. Omgerekend naar de schaal van een doorsnee Hollands gezin, komt het erop neer dat van een totaal gezinsinkomen van bijvoorbeeld 80.000 gulden per jaar volgens de verkiezingsprogramma's voortaan 8 gulden per jaar per gezin extra gaat naar kinderopvang. De politieke partijen rekenen met 30 of 40 gulden per jaar extra per Nederlands gezin ten behoeve van de mensen op een minimuminkomen en met 50 per jaar voor het budget van de medische zorg. Omgerekend per huishouden gaat het dus om minuscule bedragen van niet meer dan een paar kwartjes per week. Toch zijn dit de verhoudingen in de financiële paragrafen van de ontwerp-verkiezingsprogramma's. Zo wil bijvoorbeeld het CDA 0,04 procent van de nationale koek uittrekken voor méér politie en justitie, om straks het electorale gevecht in volle scherpte aan te gaan met de drie andere grote partijen die daarvoor liever 0,02 of 0,03 procent van de economie extra reserveren. En bij de investeringen in wegen en treinen moet de VVD die daaraan 0,03 procent van de economie extra wil besteden hard knokken met de PvdA die blijft steken op 0,02 procent. Buitenlandse beleggers in onze economie, of andere Europese lidstaten die het Nederlandse macrobeleid moeten beoordelen, zullen geen verschil kunnen waarnemen tussen een Paars-II begroting of een CDA-beleid. Dat was vroeger wel anders. Toen Den Uyl tegenover Lubbers en Ruding stond, wilde de PvdA véél minder bezuinigen en bevriezen. In 1989 wilde de PvdA nog voor 14 miljard gulden aan nieuw beleid. Pas in 1994 nam de PvdA lastenverlichting op in het programma als belangrijkste medicijn tegen de werkloosheid en die nieuwe koers maakte een regering met de VVD mogelijk. Nu liggen PvdA en VVD financieel dichter bij elkaar dan ooit tevoren. Heel hoffelijk trekt de VVD nog 100 miljoen gulden per jaar uit voor extra Melkertbanen.

De PvdA op haar beurt schrijft in het programma dat door goed te kijken naar aftrekposten in de belastingen het mogelijk moet zijn om 'over de hele linie' (dus inclusief het toptarief) de tarieven van de belasting te verlagen.

Aan deze verkiezingsprogramma's valt niets meer te rekenen. Mocht het Centraal Planbureau (CPB) toch nog beweren dat de ene partij over acht jaar 10.000 of 20.000 banen méér kan scheppen door haar program dan de andere, dan is dat veeleer een gevolg van eigenaardigheden in het gehanteerde rekenmodel dan van wezenlijke financiële verschillen tussen de vier grote partijen. Alleen GroenLinks heeft zich al definitief buiten de lijnen van het speelveld geplaatst met programma-onderdelen als een (beperkt) basisinkomen, een verbod op bredere autosnelwegen, een verplichte jaarlijkse vermindering van de CO uitstoot, en extra sociale woningbouw op de VINEX-lokaties. GroenLinks zal daarom als enige partij de belastingen flink moeten verhogen om zo'n duur en anti-economische groei programma te kunnen financieren.

De vier grote partijen, daarentegen, zijn het hartgrondig eens over de begroting en kunnen dus alle aandacht vragen voor verschillende visies op organisatorisch terrein. De PvdA wil één minister van Politie: op Binnenlandse Zaken. D66 wil liever twee politieministers handhaven en de bestrijding van de georganiseerde misdaad laten aansturen door Justitie. Ook de VVD wil twee politieministers in stand houden, maar hen beiden meer zeggenschap geven. Het CDA begint met veel zwaardere straffen en 20 procent meer agenten, en beperkt nationale aansturing tot situaties waarin de problemen te zwaar zijn voor de regio's. Genoeg keuze dus tussen de vier partijen op een terrein dat altijd hoog staat in de belangstelling van de kiezers.

Ook met betrekking tot de sociale zekerheid bestaan belangrijke niet-financiële verschillen tussen de partijen. De PvdA pleit voor uitbesteding en marktwerking in de uitvoering van bijstandswet, werkloosheidswet en WAO. Gemeenten moeten financiële consequenties gaan voelen van hun beleid. Idem dito bij de VVD. Ook D66 wil de uitvoering van het arbeidsmarktbeleid zoveel mogelijk uitbesteden en de gemeenten een groter financieel belang geven. Het CDA heeft een heel andere visie, spreekt niet over financiële prikkels, maar eist vooral dat vakbonden en VNO/NCW hun oude macht terugkrijgen bij arbeidsbureaus, GAK etc. Wat tenslotte de files betreft, staat de VVD iets sympathieker tegenover de automobilisten. De liberalen vragen hier en daar in de Randstad om bredere wegen. D66 en PvdA willen fiets, tram en trein promoten, en het CDA wil het fileprobleem in handen geven van de private sector die op eigen kracht maar iets groots en duurs onder de grond moet bekostigen.

Zo liggen de kaarten voor de drie belangrijkste binnenlandse onderwerpen: de verdere aanpak van de werkloosheid, de criminaliteit en het vervoer. Op financieel gebied zijn er nauwelijks nog verschillen tussen de vier grote partijen, en wil iedereen verder op de weg van Kok en Zalm. Alle aandacht kan daarom uitgaan naar de kwaliteit van het toekomstige beleid. Mij valt op hoeveel PvdA en VVD hebben geleerd van de harde werkelijkheid én van elkaar en hoe daarentegen het CDA voor wat betreft de sociale zekerheid nog in een eigen wereld leeft. Het CDA lijkt terug te willen naar de tijd van vóór de parlementaire enquête over de uitvoering van de sociale zekerheid. Ook bij de politie trekt het CDA heel andere conclusies uit recente ontwikkelingen dan PvdA en VVD. In Groningen waren op 30 december meer dan voldoende agenten, maar volgens de starre dienstroosters hadden ze bijna allemaal vrij. PvdA en VVD zoeken daarom naar sterker management voor de politie en krijgen steeds meer interesse in het model van een nationale politie onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Het CDA heeft vrede met de politieregio's en verwacht soelaas van veel extra agenten (en veel zwaardere straffen voor criminelen).

Voor wat betreft de belastingen is al vaker opgemerkt dat het CDA geen interesse meer heeft in lagere lasten voor de burgers, terwijl de PvdA sinds 1994 consequent ruimte laat voor lagere tarieven in de belasting. Misschien zijn het wel aanwijzingen dat de CDA'ers na hun nederlaag in 1994 nog in zo'n intellectueel en bestuurlijk isolement verkeren dat ze belangrijke trends in de maatschappij heel anders interpreteren dan PvdA, VVD en D66 die er in de dagelijkse regeerpraktijk veel directer mee worden geconfronteerd. Op 7 mei weten we hoe die opvallende afstand tussen het CDA en de dagelijkse politieke praktijk door de kiezers is gewaardeerd.