Verkoop joodse sieraden typeert onverschilligheid

De verkoop van joodse kleinoden eind jaren zestig illustreert de 'meer zakelijke dan menselijke benadering' van Nederland in de kwestie van de joodse tegoeden. De commissie-Kordes, die de zaak van het Liro-archief heeft onderzocht, pleit voor een nationaal debat.

DEN HAAG, 31 JAN. Twee houten klapstoelen, 1 gulden. Een stofzuiger (“versleten”), 1 gulden. Een zilveren sigarettenkoker, 5 gulden. Een platina broche, 75 gulden. Een pendule met twee marmeren zuilen op marmeren voetstuk met leeuwtje, 250 gulden. Een banjo, 5 gulden.

Een greep uit de lijst van zo'n tweehonderd voorwerpen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter waren geroofd van joodse burgers. Op 30 januari 1958 werden deze voorwerpen, waarvan de eigenaar of erfgenaam niet meer was te achterhalen, getaxeerd door een Amsterdamse makelaar-taxateur op een waarde van in totaal 1.582 gulden. Ruim tien jaar later werden ze onderhands voor exact dezelfde prijs verkocht aan veertig medewerkers van het Agentschap van het Ministerie van Financiën, waar de kleinoden via omwegen terecht waren gekomen.

De veiling was van te voren aangekondigd en werd na afloop keurig vermeld in het jaarverslag, maar er kraaide geen haan naar. Toen bijna dertig jaar later in een pand aan de Amsterdamse Herengracht verloren gewaande delen van het archief van de Duitse 'roofbank' Lippmann-Rosenthal & Co onbeheerd werden aangetroffen, kwam ook de onderhandse verkoop aan het licht. En toen ontstond er wel commotie, de hevigste sinds de Zwitserse banken ook in Nederland een discussie losmaakte over de roof van joods bezit.

De commissie-Kordes, die november vorig jaar was gevraagd onderzoek te doen naar het Liro-archief, presenteerde gisteren zijn eerste bevindingen. Het is het eerste rapport van al de deskundigen die vorig jaar van het kabinet de opdracht hebben gekregen om onderzoek te doen naar het Zwitserse goud (Van Kemenade), financiële instellingen (Scholten), kunst (Ekkart) en Indische tegoeden (Van Galen).

De conclusie dat de onderhandse verkoop juridisch was toegestaan maar voor het overige 'ongepast' was is daarmee ook het eerste officiële oordeel over dat deel van de Nederlandse geschiedenis waarover nog maar kort wordt nagedacht. En het oordeel van de duidelijk geschokte onderzoekers is dat de Nederlandse overheid ongevoelig heeft gehandeld en het publiek onverschillig is geweest. De commissie-Kordes verlangt een Nederlandse vorm van Vergangenheitsbewältigung, de Duitse benaming voor verwerking van het oorlogsverleden.

De onderzoekers menen namelijk dat ook nu bij de Nederlandse bevolking onvoldoende besef bestaat over het lot van de joden tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. “De economische wederopbouw, de oorlog in Indië, het leed dat ons zelf is berokkend heeft ertoe geleid dat wij vergeten zijn welk onrecht de joden is aangedaan”, zei Kordes gisteren. Ondanks de vierde mei, de Auschwitz-herdenkingen, de monumenten voor de vermoorde joden en de lessen van L. de Jong, vindt de commissie een “nationale erkenning ” nodig van “het leed dat de joden is aangedaan”.

In de Tweede Kamer werd vorig jaar naar aanleiding van de Liro-commotie al gepleit voor een parlementaire enquête (GroenLinks) of een nationaal onderzoek door historici (VVD) naar de houding van de Nederlanders tegenover hun joodse medeburgers. Voorzitter Kordes, oud-president van de Rekenkamer, wilde gisteren niet aangeven hoe hij een dergelijk nationaal debat voor zich ziet. Minister Zalm (Financiën) zal deze aanbeveling hoe dan ook in het kabinet bespreken, zodat de politiek op termijn een oordeel zal vellen over de visie op de naoorlogse geschiedenis.

De verkoop, voor zover de gebrekkige archieven die hebben toegelaten, is een illustratie van de “meer zakelijke dan menselijke benadering” door Nederland in de kwestie van de joodse tegoeden, zo blijkt uit het rapport. De lotgevallen van de drieduizend Liro-kaarten zelf zijn nog voorwerp van onderzoek, al noteert de commissie wel alvast dat de “gang van zaken getuigt (-) van onzorgvuldigheid en slordigheid van de beheerder”, ofwel het ministerie van Financiën. Joodse burgers moesten vanaf 1941 waardepapieren, sieraden en geld inleveren bij de Duitse 'roofbank' Lippmann-Rosenthal (Liro). Soms ook voorwerpen die niet officieel geregisteerd werden en die veelal ten geschenke werden gegeven aan hooggeplaatste nazi's. Het Waarborgfonds Rechtsherstel dat was ingesteld om joden die hun bezittingen niet konden terugkrijgen (met name effecten) toch te compenseren, kreeg een claim op de boedel van Liro en verwierf in 1957 de tweehonderd artikelen.

Toen die in 1968 opdoken bij het Agentschap van Financiën, werd geen contact opgenomen met de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW), die al veel joodse nalatenschappen mocht beheren. In plaats daarvan werden de voorwerpen verkocht aan de medewerkers voor prijzen die toen duidelijk onder de waarde lagen (een gouden ring voor een tientje). Bij meer belangstelling voor een voorwerp werd er niet bij opbod geveild, maar eenvoudig geloot. “Bevoordeling van de eigen medewerkers”, concludeert de commissie nu.

En ongevoelig tegenover de nabestaanden en overlevenden van de moord op de joden. “De beslissing tot combinatie van loting en verkoop voor een aantal kleinoden geeft blijk van een gebrek aan inzicht en een gemis aan gevoel voor de omstandigheden waaronder die kleinoden waren verkregen”, vindt de commissie, die zich bij de naspeuringen duidelijk heeft geërgerd aan de onverschilligheid van destijds: “Hetzelfde geldt voor de uitspraak in nota's en overzichten (-) dat die kleinoden van 'geringe betekenis' zouden zijn. Bij het nemen van die beslissing en het doen van die uitspraak is voorbijgegaan aan het feit dat deze goederen toebehoorden aan joden die tijdens de oorlog door de Duitse bezetter zijn vermoord, waardoor die goederen voor hun nabestaanden, zelfs voor anderen behorende tot de joodse bevolkingsgroep, grote emotionele waarde konden hebben.”