Proefproject Nederlandse kaarten

De weergave van oude landschapselementen op de Nederlandse topografische kaarten, vervaardigd door de Topografische Dienst (TD) in Emmen, biedt veel ruimte voor uitbreiding en verbetering. Dat is des te urgenter vanwege de snelle vernietiging van historisch significante terreinoneffenheden door de bouw van honderdduizenden nieuwe woningen in de komende jaren (VINEX), snelwegen, spoorbanen, intensivering van de landbouw, en grootschalige natuurontwikkeling.

Het goede nieuws: er lijkt wat te gaan gebeuren. In februari 1996 vond een eerste oriënterend gesprek plaats tussen de directeuren van de TD en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), en prof. Jelier Vervloet, hoofd historische geografie bij het Staring Centrum van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (SC-DLO) van het ministerie van LNV. Vervloet coördineert nu een proefproject: in het komende jaar zullen ROB, SC-DLO en TD, samen met één of meer kartografiestudenten van de RU Utrecht, een blad 1:25.000 (of een aantal bladfragmenten) voorzien van een forse dosis archeologische en historisch-geografische informatie.

De archeologische gegevens (ruwweg tot 1500) van de ROB zitten al in een geografische database (Archis). Hoe die data te koppelen aan de inmiddels geheel gedigitaliseerde bestanden van de TD, wordt een van de centrale vragen. Natuurlijk zijn er twee verschillende computertalen in gebruik. Andere kwesties zijn wanneer een oudheid voor zichtbaar mag doorgaan, waar ze precies liggen, welke categorieën voor weergave in aanmerking komen, en met welke symbolen, in welke kleur en met welke lettersoort. Een database met historisch geografische gegevens (ruwweg vanaf 1500) ontbreekt in Nederland, en dat zou wel eens een van de lastigste problemen kunnen worden. Vervloet: “Historisch geografen komen nauwelijks meer toe aan veldkartering van belangwekkende elementen in het landschap. We maken gebruik van de topografische kaart, en die geeft onvoldoende informatie. Het zou fantastisch zijn als dat verbeterde. Dat betekent weer dat je die gegevens haast automatisch kan overbrengen naar andere geografische informatiesystemen.”

Hij verwacht een grote beschermende werking van weergave van landschappelijke oudheden op de TD-kaarten, “omdat planners er dan rekening mee moeten houden”. Verder benadrukt Vervloet de educatieve waarde voor wandelend en fietsend Nederland. Dat laatste is ook belangrijk voor de directeur van de TD omdat het omzetverhogend zou kunnen werken, gelet op de populariteit van de TD-kaarten bij het terreintoerisme. “In principe staan we er voor open”, aldus directeur drs. Peter Geudeke. “Alleen: we hebben nu al veel moeite om de onze productie op schema te houden. We maken een standaardserie, en zien dat als een overheidstaak. Alles wat je daaraan toevoegt staat in een moeilijk daglicht.”

Maar juist in dat opzicht is er een hoopvolle ontwikkeling, namelijk Project Belvedère: op 11 december 1997 stuurden minister De Boer (VROM), minister Aartsen (LNV), en staatssecretaris Nuis (OCW) een brief aan de Tweede Kamer vol mooie voornemens om de cultuurhistorische waarden van het Nederlandse landschap veel meer aandacht te geven bij het ruimtelijk beleid, omdat “zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied het archeologische erfgoed in hoog tempo wordt aangetast”. Eind dit jaar volgt een 'integrale visie', neergelegd in een beleidsnotitie.

Omdat de bewindslieden het karteren van al dat ouds een paar keer zijdelings ter sprake brengen, zou Belvedère ook de middelen kunnen aandragen voor een grootschalige samenwerking tussen de ROB, de SC-DLO en de TD. De redenen zijn er al.