Overal grafheuvels; BRITSE KAARTENMAKERS HEBBEN VEEL AANDACHT VOOR FUNCTIELOZE LANDSCHAPSELEMENTEN

Romeinse wegen, middeleeuwse smederijen, megalithische graven: op Britse kaarten staat het allemaal. 'We doen het vooral voor wandelaars en fietsers.'

EEN VAN DE GEVOLGEN van de Eerste Wereldoorlog is dat de officiële Britse topografische kaarten, vervaardigd door de Ordnance Survey (OS) in Southampton, tegenwoordig boordevol staan met oude, functieloze landschapselementen. In geen ander land krijgen gebruikers van reguliere 1:25.000- en 1:50.000-series bij benadering zoveel informatie over de ligging van grafheuvels uit de Bronstijd, Romeinse wegen, middeleeuwse smederijen, megalithische graven, akkercomplexen uit de IJzertijd en nog zo'n 150 andere soorten zichtbare oudheden in het terrein.

Dat kwam zo. Beide strijdende partijen aan het westelijk front deden hun best om elkaar uit ballonnen en vliegtuigen in de gaten te houden. Eén van de Britse luchtwaarnemers in Frankrijk was de Schotse archeoloog O.G.S. Crawford (1886-1957). Tijdens verkenningsvluchten zag hij eerder en duidelijker dan wie ook het potentieel van luchtwaarneming voor archeologie. In de jaren twintig werd hij, samen met A. Keiller, de grondlegger van de luchtfotoarcheologie.

Het toeval wilde dat juist luitenant Crawford in 1916 een partij verkenningsgegevens moest afleveren bij de directeur van de OS, Sir Charles Close, en hij benutte de gelegenheid om breed uit te pakken over archeologie in relatie tot topografische kaarten. Dat gesprek werd het begin van iets moois. Direct na de oorlog besloot Crawford het contact op systematische, zij het onbezoldigde basis uit te bouwen. In 1919 stelde Close een complete serie zes-inch-per-mijl kaarten (1:10.560) ter beschikking, die door Crawford werden verspreid onder tientallen collega's en regionale archeologische genootschappen. Het idee was dat deze correspondenten op de kaarten intekenden wat ze aan oudheden in hun woonomgeving wisten te liggen, en dat Crawford die gegevens controleerde, bewerkte en doorspeelde aan de OS. Tot dan toen hadden de Britse topografische kaarten oudheden weergegeven op een soort 'hier en daar, af en toe'-basis - inclusief allerlei onjuistheden omdat topografische verkenners doorgaans geen veldarcheologische training hebben. Al spoedig begreep Close dat zijn product ingrijpend aan het verbeteren was, en kreeg Crawford een vaste aanstelling in een geheel nieuwe functie: als archaeology officer fietste hij tussen 1920 en 1939 bijna het hele land door om oudheden te vinden en vermoedens te verifiëren, en orkestreerde hij en passant het netwerk van vrijwillige correspondenten.

BOMBARDEMENTEN

Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel aan het Britse landschap: door Duitse bombardementen en meer nog door het ontginnen van veel ongebruikte grond om de landbouwproductie op te voeren; vanaf 1945 kwam daar een grote hoeveelheid nieuwbouw bij. Voor de OS reden genoeg om het hele land opnieuw in kaart te brengen, haast alsof dat nooit eerder was gebeurd. Net als de Crawford/Close connectie een kwart eeuw eerder, bood deze groots opgezette herverkenning een geweldige kans voor de kwaliteit en de kwantiteit van de weergave van oudheden op de OS-kaarten. En weer was het één eigenzinnige, vasthoudende en briljante archeoloog die de oudheidkundige bal keihard in het topografische doel knalde. Onder leiding van Charles Phillips (1901-1985) groeide de Archaeology Branch van de OS uit tot een Division met een sterkte van bijna zeventig medewerkers in 1965. “De divisie had toen bijna twintig eigen terreinverkenners. Overal waar de OS verkenningen uitvoerde, volgde iemand van de afdeling archeologie”, memoreert Brian Hopper die in 1970 als verkenner bij de OS in dienst kwam en een paar jaar later naar de archeologische afdeling overstapte. “Het hele land werd voor het eerst aan een systematische archeologische verkenning onderworpen.”

De terreinverkenners wisten zich gesteund door een ongeveer even grote groep archiefonderzoekers, en samen produceerden ze per locatie een grote indexkaart: op een 1:1250 fragment werden de terreinwelvingen precies ingetekend; daaronder stonden de opgravingsgeschiedenis, oppervlaktevondsten als werktuigen en potscherven, namen van plaatselijke informanten, en literatuurverwijzingen. Een derde afdeling gebruikte die indexkaarten als uitgangspunt voor de informatie die op de gedrukte kaartseries van de OS moest verschijnen. Uiteraard gold: hoe groter de schaal, hoe meer oudheden.

Romeinse oudheden hebben op de kaarten een eigen lettertype, alle andere oudheden staan genoteerd in Gotisch schrift. De OS is nooit zover gegaan ook geheel geërodeerde onderdelen van monumenten weer te geven. Een verdedigingswal die plaatselijk is dichtgeslibd, wordt op die plek niet in kaart gebracht, hoezeer dat ook te rechtvaardigen zou zijn uit archeologisch standpunt.

Eind jaren zeventig was het mega-karteringsproject voltooid, en was het oudheden-bestand gegroeid tot ruim 150.000 zichtbare archeologische terreinobjecten van het Neolithicum tot 1714 (heel logisch: het jaar van de troonsbestijging van George I). De Archaeology Division kon slinken tot ongeveer twintig medewerkers, onder wie Brian Hopper; in 1983 werden ze overgeheveld naar de net opgerichte Royal Commission on the Historical Monuments of England (RCHME), en gelijke commissies voor Wales en Schotland. Nu voorzien de drie Royal Commissions de OS van archeologische informatie, bij de in Swindon zetelende RCHME onder leiding van Hopper.

Anders dan de gepensioneerde Phillips in 1983, ziet hij de overheveling overwegend als positief: “Vroeger bepaalde de OS waar verkenningen werden uitgevoerd, inclusief de archeologische. Nu stellen we zelf prioriteiten, en die liggen vaak in gebieden waar de OS minder intensief verkent, bijvoorbeeld de uplands zoals Dartmoor en Exmoor. Daar bevinden zich juist heel veel oudheden.” Hopper heeft twaalf eigen verkenners die primair als archeoloog zijn opgeleid, maar ook kunnen landmeten. De hoofdtaak van de RCHME-verkenners is het produceren van zeer gedetailleerde 1:1250 kaarten van oudheden, inclusief allerlei details waarin de OS niet geïnteresseerd is zoals weggeërodeerde onderdelen van wallen en greppels. Juist door het loslaten van het zichtbaarheidscriterium heeft de RCHME nog eeuwen werk voor de boeg, en Hopper schiet in de lach als ik suggereer dat alle Britse oudheden nu wel zo'n beetje gevonden moeten zijn. “Op luchtfoto's worden nog voortdurend nieuwe dingen ontdekt, vooral aan de hand van hoogte- en kleurverschillen in gewassen. Daar blijken dan bijvoorbeeld fundamenten onder de grond te zitten, maar aan de oppervlakte zie je niets. Als we een gebied systematisch onderzoeken, blijken er vaak twee maal zoveel oudheden te zijn als we eerst dachten.”

KASTEELTUINEN

Een andere groeisector ontstond door ook zaken te verkennen die vroeger niet relevant werden geacht, zoals restanten van kasteeltuinen. Nog ingrijpender was de verschuiving van de leeftijdsgrens van 1714 naar 1940. Allerlei industriële en militaire-terreinobjecten uit die periode verschijnen nu ook op de OS-kaarten. Een mild strijdpunt tussen de RCHME en de OS is dezer dagen of de verkenningsgegevens van Hoppers staf in digitaal formaat aan de kaartenmakers in Southampton mogen worden aangeleverd. “Ze zijn een beetje bang dat ze dan geen goede controle meer hebben over onze inbreng”, aldus Hopper.

Het is haast een open deur om te stellen dat de Britten een sterk ontwikkeld historisch besef hebben; Nederlandse archeologen en topografen bezien het afwijkende oudhedenbeleid van de OS bijna altijd in dat licht. Maar Hoppers chef Neil Lang, liaison officer tussen de RCHME en de rest van de wereld voor geografische informatiesystemen, ziet dat anders: “Veel mensen in dit land zijn juist dankzij de OS-kaarten met archeologie in aanraking gekomen”, garandeert hij. “Moeilijk te kwantificeren natuurlijk. Maar ik weet zeker dat de reacties niet mis zouden zijn als de oudheden van de kaart verdwenen.”

Wat de motivatie van Crawford en Phillips ook geweest is, de belangrijkste reden van nu voor de weergave van oudheden op de OS-kaarten is toeristisch. “We doen het vooral voor wandelaars en fietsers”, aldus Lang. Hij denkt niet dat de weergave een belangrijke beschermende werking heeft doordat planologen en andere landschapsveranderaars aan de oudheden herinnerd worden. Om te beginnen werken ze meestal met kaarten op grote schaal (1:1250 en 1:2500) en die worden tegenwoordig per stuk en op bestelling door de database van de OS opgehoest. De OS blijft zo niet met onverkochte voorraden zitten, en de klant gaat erop vooruit doordat hij zelf de uitsnede kan kiezen en allerlei lagen met informatie wel of niet kan laten printen. Als een wegenbouwer geen oudheden op zijn kaart wil, zal hij ze niet krijgen ook. Anderzijds stelt Lang dat alle Britse planners wettelijk verplicht zijn om rekening te houden met de oudheden in het om te woelen, af te graven of te asfalteren gebied.

Topografische kaarten zijn vermoedelijk nergens populairder dan in Groot-Brittannië, en de Ordnance Survey verklaart onomwonden dat de 1:25.000 en de 1:50.000 kaarten in de allereerste plaats voor toerisme en vrijetijdsbesteding zijn bestemd. Weliswaar bleek uit onderzoek dat er nauwelijks meer OS-kaarten worden verkocht vanwege de oudheden, maar geïnterviewden verklaarden de archeologie op de Britse stafkaarten wel in hoge mate te waarderen. Toch vreest Hopper soms voor de toekomst van de oudheden op de kaart: “Alles wat de OS weergeeft moet tegenwoordig een financiële rechtvaardiging hebben. Dus als wij niet kunnen aantonen dat er daardoor meer kaarten worden verkocht...”

Nog reëler acht hij de kans dat de OS op een dag rekeningen gaat uitschrijven voor de instandhouding van de archeologische laag in de topografische database, de directe bron voor 1:1250 en 1:2500 kaarten die per stuk en op bestelling geleverd worden. Neil Lang verwacht dat niet, omdat de oudheden de waarde van het OS-product juist verhogen. “'En: vroeger moesten ze de archeologie helemaal op eigen kosten doen, nu krijgen ze de gegevens van ons. Het zou logischer zijn als wij hun een rekening stuurden!”

TERREINVERKENNERS

Bij de Ordnance Survey leidt John Northcott de afdeling die de specifieke informatie verzamelt voor de 1:25.000 en de 1:50.000, zoals archeologie, toegankelijkheidsbepalingen, en (sinds kort) fietspaden. Hij heeft daarvoor zeven eigen terreinverkenners (de hele OS heeft er bijna 600) maar de meeste gegevens komen van instellingen buiten de dienst, zoals oudheden van de Royal Commissions. Veertig jaar na zijn start als terreinverkenner is Northcott nu degene die bepaalt welke oudheden wel en welke niet op de gedrukte kaarten verschijnen. “Het meeste staat al jaren vast”, stelt hij voorop. En wat de veranderingen betreft: “Kijk, Brian Hopper wil er natuurlijk zoveel mogelijk op hebben. Ik zeg dan dat hij selectief moet zijn. Soms wordt het kaartbeeld te druk als je nog iets toevoegt. In onbewoonde streken is soms nauwelijks iets anders te vinden dan oudheden. Als je ze allemaal gaat weergeven ontstaat een scheef beeld, ook al is er ruimte op de kaart. Het moet een bijzaak blijven.”

Eindeloos veel meer en vollediger informatie, is te vinden in de database van de RCHME. Wie tijdens een wandeling een prehistorisch akkercomplex of een Romeins marskamp bezocht en er meer van wil weten dan de kaart vermeldde, hoeft alleen maar naar de website van de RCHME te gaan voor achtergrondgegevens. Binnenkort komt daar ook een clickable map van Engeland, en zoom je muisgewijs steeds verder in op het landschap, om uiteindelijk een gedetailleerde plattegrond en/of een opgravingsverslag te downloaden.

Dat het prijsgeven van zoveel informatie over oudheden in het metaaldetectortijdperk ook risico's heeft, wil Lang noch Hopper ontkennen. Maar, zegt Lang, “We zien hier in Engeland dat een zeer beperkt aantal oudheden relatief veel illegale schatgravers aantrekt. Geen van die gevallen viel te relateren aan vermelding op de OS-kaarten. Hopper zegt soms grafheuvels van de gedrukte kaartseries af te voeren als ze nog nooit zijn opgegraven, én als ze zo ver geërodeerd zijn dat ze in het terrein geen aandacht trekken.

De website van de RCHME is www.rchme.gov.uk