Meneer Hoefsmit

Zijn naam had door de jaren heen een vertrouwde klank gekregen, die beelden opriep van oceanen, zeeschepen en verre landen. Als klein kind al heb ik mijn moeder met iets spijtigs en berustends in haar stem over 'meneer Hoefsmit' horen spreken - ze noemde hem nooit bij zijn voornaam - en tegen Kerstmis en haar verjaardag ontvingen wij een brief uit steeds weer een ander deel van Sumatra, die er wel zes of zeven weken over had gedaan en altijd door mijn vader werd beantwoord.

Pas later viel mij op dat de brieven nooit aan haar waren geadresseerd maar aan 'de heer en mevrouw' of 'de familie', en dat de inhoud, meestal met wat bijgesloten kiekjes, uit een neutraal verslag van het leven met zijn gezin in de tropen bestond.

Om de zes jaar kwam hij met verlof en logeerde met zijn Indische bediende Carto, die op een matje onder de trap sliep, bij zijn stiefmoeder in het ruime huis aan de Bergselaan dat hij voor haar had gekocht. Het rook er naar alle eilanden van de archipel, en net als om meneer Hoefsmit zelf hing er een zweem van avontuur om de krissen en wajangpoppen tegen de wandkleden in de gang. Soms gingen mijn moeder en ik hem er 's middags opzoeken en dronken er thee uit doorschijnende Chinese kopjes in de salon, waar een ondefinieerbaar feestelijke stemming heerste en mijn moeder in haar kasjmier mantelpak, met haar haar heel zwart en haar ogen heel blauw onder de rand van haar glanzende strohoed, tegen de kussens van de erkerbank leunde.

Behalve Carto en een hutkoffer vol bewerkt koper (we hebben er nog een tabakspot en een vaas van overgehouden), rollen shantoeng en gebatikte lappen stof bracht hij bij elke reis een van zijn kinderen mee, die, zodra zij de leerplichtige leeftijd hadden bereikt, voor hun verdere opvoeding in Nederland naar school moesten en derhalve bij hun grootmoeder werden achtergelaten. De eerste was Kitty geweest, een moederloos koffiekleurig meisje, over wier afkomst een waas van geheimzinnigheid lag. Zij werd gevolgd door Nollie en ten slotte door Charlie, beiden met dezelfde matbruine huid, ofschoon wel in het bezit van een moeder, die half Indisch en half Japans heette te zijn en naar de exotische naam Kamee luisterde.

Welgeteld driemaal in achttien jaar hadden we meneer Hoefsmit gezien, toen hij voor de vierde keer niet met Carto maar met de Indisch-Japanse vrouw en hun nog kleine dochtertje weer zijn intrek nam in het huis aan de Bergselaan, waar we hem echter weinig opzochten omdat hij, zoals zijn echtgenote in gebroken Nederlands beweerde, orde op zijn zaken moest stellen. Dit had tot gevolg dat het pand met inboedel en al werd verkocht en zijn moeder op een flatje kwam te wonen, terwijl Kitty haar studie aan de Kunstacademie moest opgeven om haar eigen brood te gaan verdienen.

Nadat hij deze regelingen had getroffen, scheepte meneer Hoefsmit zich met zijn gezin, maar zonder Kitty, in op de Johan van Oldenbarnevelt van de Rotterdamsche Lloyd (het kan ook de Indrapoera of de Sibajak zijn geweest) om weer op een ander gedeelte van Sumatra te belanden, waar Nollie en Charlie, met wie ik bleef corresponderen, in Brastagi op een internaat werden geplaatst.

'Goddank zijn we hier in Liberta niet overal zoo ver vandaan', stond er in een van meneer Hoefsmits brieven. 'Per auto tweeëneenhalf uur van Medan', waar ze als het zo uitkwam naar de bioscoop gingen en een biertje dronken op het terras van Hotel De Boer.

Hoe lang ze zijn weggebleven weet ik niet meer, maar ik zal zeventien of achttien zijn geweest toen we hoorden dat Kamee met haar kinderen in het Gooi een gemeubileerde villa had gehuurd, terwijl meneer Hoefsmit om financiële redenen nog enige tijd in de tropen moest doorbrengen. In 1933 schreef hij ons vanuit Soengei Dadap: 'Ik kan niet zeggen dat het me erg meevalt. 'k Heb een idioot groot huis, de voorgalerij lijkt wel een zaal, en in zoo'n ruimte zit je dan als het begint te schemeren moederziel alleen. Vroeger was het nog wel eens lollig in ons goeie, ouwe Deli, maar het lijkt nu nergens naar. Iedereen zucht en kankert, hotels en bioscopen zijn op de flesch en de weinige die nog over zijn sterven een langzamen dood. Het is wel heel droevig dat een land als Deli zoo kan afbrokkelen. Ik heb de grootste onderneming van de Amsterdam Rubber en was deze malaise niet gekomen dan zat ik allang met een aardige duit in Holland.'

Nadat het hem in 1936 toch nog was gelukt zich met 'een aardige duit', en gepensioneerd, bij zijn gezin in het Gooi te voegen, was het weerzien met hem een paar maanden later in Rotterdam tegelijk een afscheid, daar hij met vrouw en kinderen naar Canada emigreerde. Kamee, die niet tegen de lange koude winters bleek te kunnen, zou hem na een aantal jaren verlaten en zich uiteindelijk met haar familie in Japan herenigen.

Uit de verhalen van mijn moeder over vroeger heb ik begrepen dat er tussen haar en meneer Hoefsmit sprake moet zijn geweest van een eerste liefde, die tot een kortstondige romance heeft geleid. Ze woonden vlak bij elkaar in de buurt: hij in de Jonker Fransstraat en zij om de hoek in de Warmoeziersstraat, waar haar ouders, die kennissen van de zijne waren, een slagerswinkel dreven. Wegens de vriendschap en de klandizie hadden ze erin toegestemd dat hun nog zeer jeugdige dochter - zij was zestien - met de paar jaar oudere zoon van het echtpaar Hoefsmit op zondag naar de muziek in het park ging of met de paardentram naar Freericks, een uitspanning in Hillegersberg, of met hem poffertjes ging eten op de Veemarkt als er kermis was.

De spijtige toon waarop mijn moeder over meneer Hoefsmit placht te spreken kreeg iets dweperigs wanneer ze het over zijn uiterlijk had. 'Zo'n knappe jongen en zo voorkomend! Alle meisjes in het Noorden waren verliefd op hem. Bovendien sprak hij drie talen, en een mooi handschrift dat hij had!'

Het is mij nooit helemaal duidelijk geworden of het bij die uitstapjes is gebleven, maar op een goede dag vertrok Harry Hoefsmit, twintig jaar oud, naar Indië om er, zoals in die tijd gebruikelijk, carrière te maken. Dit betekende dat hij er in de kortst mogelijke tijd een fortuin hoopte te vergaren met de aanleg van rubberplantages in de binnenlanden van Sumatra's oostkust, waar hij zich met behulp van een handvol inlanders letterlijk een weg door het oerwoud baande en bij kampvuren sliep om de tijgers op een afstand te houden.

Intussen wachtte mijn moeder op het teken dat haar als bruid naar Indië zou voeren en troostte zich met foto's van hem in wit pak met tropenhelm - Harry leunend op een geweer met een dode tijger aan zijn voeten, Harry zittend op de voorgalerij van zijn huis met een rijtje bedienden achter zijn stoel - en verzamelde de vele ansichtkaarten waarop palmen en kamponghutten waren afgebeeld, die zij haar leven lang in een album heeft bewaard. Toen hij haar echter schreef dat hij zich voorlopig niet kon binden en het harde bestaan in de tropische hitte geheel ongeschikt voor een Hollandse vrouw was, besefte zij dat ze nooit als 'handschoentje' op de boot naar het onbekende land zou stappen en werd lid van een zangvereniging, waar ze mijn vader leerde kennen.

Uit Canada hebben mijn ouders nog weleens iets van meneer Hoefsmit vernomen. Zo liet hij hun in 1961 weten dat zijn vrouw nog steeds in Tokio verbleef, dat Nollie, die zijn geluk in Amerika zou gaan beproeven, daar spoorloos was verdwenen, en dat Kitty, die ergens in Australië verzeild moest zijn geraakt, nooit meer iets van zich had laten horen. Het laatste nieuws dat ons bereikte kwam van de jongste dochter, die ons schreef dat haar moeder toch weer bij haar in Canada was komen wonen nadat haar vader aan een hartaanval was overleden, slechts enkele weken voor haar broer Charlie bij Toronto met een vliegtuig was verongelukt.

Deze brief, en alle andere, vond ik in een la van het buffet toen ik na mijn moeders dood haar huis opruimde.