Kartel Europa

Eén munt, elf overheden. Eén rente, elf economieën. Economen hebben straks voor jaren werk aan het economische live-experiment van de eeuw: de muntunie, waaraan Europa zich vanaf 1999 waagt. Zo'n live-experiment is soms onvermijdelijk: iemand heeft de eerste harttransplantatie moeten ondergaan. Meestal is het proefkonijn een patiënt die niets meer te verliezen heeft, die zonder de operatie ten dode was opgeschreven. Is Europa zo'n patiënt?

Bondskanselier Helmut Kohl heeft de euro de keuze heeft genoemd tussen oorlog en vrede in Europa. De muntunie is in zijn ogen essentieel voor harmonie, afstel van het project houdt het risico van conflict in. Europa heeft volgens hem dus wel iets te verliezen als het zich niet in het experiment schikt.

De discussie over de muntunie lijkt juist steeds meer de andere kant op te gaan. In de laatste uitgave van Foreign Affairs van 1997 stelt de Harvard-econoom en EMU-scepticus Martin Feldstein het in het essay 'The Euro and War' bikkelhard. Zijn analyse komt er op neer dat de muntunie juist een garantie is voor toekomstig conflict.

Het sleutelwoord in de EMU-discussie is asymmetrie. De lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de muntunie, zijn alle anders. Hun productiepalet verschilt, hun importbehoefte ook. De bevolkingsopbouw verschilt, evenals de snelheid en hevigheid van de vergrijzing en de financiering van ouderdomspensioenen.

Er zijn landen met een militante vakbondstraditie, straffe looneisen en veel stakingen, en landen met vakbonden die zich meegaander opstellen. Er zijn grote verschillen in belastingheffing, wekloosheidspercentages die uiteenlopen van 6 procent tot 20 procent, en sterke variaties in natuurlijke rijkdommen (olie en gas). De lijst is lang.

Vanaf volgend jaar, deelt dit economische patchwork van landen één munt en één rente. De makkelijke individuele uitweg van devaluaties in tijden van economische nood is afgesneden, want er is maar één munt. Een soepel rentebeleid ook, want er is nog maar één centrale bank, die rekening moet houden met de gemiddelde toestand in alle euro-landen. Stimuleringsbeleid is maar beperkt mogelijk, want de begrotingen zullen binnen de tekortnorm van maximaal 3 procent moeten blijven - uitzonderlijke omstandigheden daargelaten. Er is niet, zoals in de Verenigde Staten, een krachtig financieel herverdelingsmechanisme tussen de deelstaten van de muntunie, en de regionale arbeidsmobiliteit stuit op verschillen in taal en cultuur.

Er is al uitgebreid gediscussieerd over de vraag hoe de euro-landen zullen reageren op externe schokken - het uit de hand lopen van de crisis in Azië bijvoorbeeld of een hoge olieprijs. Omdat het monetaire beleid straks niet anders kan zijn dan gemeenschappelijk, kan dat in sommige landen op zulke momenten goed passen bij de omstandigheden, maar bij andere veel minder goed.

De oorzaak van mogelijke conflicten ligt in de hypothetische situatie dat een groot land, zeg Duitsland of Frankrijk, in problemen raakt terwijl de anderen juist uitbundig groeien en de centrale bank op basis van de grootste gemene deler de rente nog eens extra opschroeft. De werkloosheid in het probleemland loopt vervolgens nog verder op. De inkomsten vallen tegen, de sociale uitgaven lopen op, maar er moet juist nu bezuinigd worden om de tekortgrens van 3 procent niet te overschrijden. Het volk mort, de bestuurders morren mee. Het conflict met de andere muntunie-landen is geboren.

Het succes van de muntunie lijkt er dan ook van af te hangen in hoeverre de symmetrie van begin af aan wordt bevorderd. Veel verschillen tussen de euro-landen zijn het gevolg van beleid, en kunnen dus worden weggenomen door het beleid te harmoniseren.

Belastingharmonisatie is sinds begin vorig jaar al onder discussie. Er is een sociaal handvest dat bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden en werktijden harmoniseert. Plafonds voor tekorten en staatsschulden moeten verschillen in de staatshuishouding gladstrijken.

Zo zijn er tal van harmonisatie-mechanismen. De muntunie is daarom niet zozeer een eindstation, maar de zoveelste stap in het Europese integratieproces, die net als vorige stappen, volgende stappen onvermijdelijk maakt.

Cruciaal is in welke richting de harmonisatie gaat. Vraag is of harmonisatie de juiste keuze is. Het huidige politieke klimaat in de Europese Unie is, voor Europese begrippen, onverdeeld op de markt gericht. Maar zelfs nu slaagt Duitsland niet met beloofde belastinghervormingen of een werkelijke bevrijding van het winkelsluitingsregime.

Op dit moment staat Frankrijk op het punt over te gaan op een 35-urige werkweek, worden in Italië de lasten verhoogd en is er in België nog vrijwel niets gebeurd met het rigide ontslagrecht.

Het risico bestaat dus dat er straks beleidsharmonisatie plaatsvindt, maar dan op basis van de bestaande praktijk, niet op basis van verbetering van die praktijk. Dat kan de externe concurrentiepositie van Europa verder aantasten. Het risico daarvoor is des te groter nu Europa, door de loop van de conjunctuur, in een periode van voorspoedige groei van de economie en de werkgelegenheid terecht komt die de structurele problemen tijdelijk zal maskeren. Tot de conjunctuur weer omslaat en de werkloosheid stijgt tot een nog hoger niveau dan nu al het geval is.

Zo zijn er krachtige argumenten voor meer symmetrie, en harmonisatie van beleid. Maar evenzeer zijn er, constateerde de topambtenaar Geelhoed vorig jaar al, goede argumenten voor juist een blijvende beleidsconcurrentie.

Concurrentie leidt tenslotte vaak tot betere prestaties, kartels tot inefficiency. Doelbewust eenvormigheid nastreven om de harmonie van de muntunie te bewaren, staat zo tegenover doelbewuste concurrentie om de muntunie ten opzichte van de buitenwereld bij de les te houden.