Een plausibele revolutie; Ook Nederland kan nog veel leren van de Brit Michael Barber

Michael Barber. The Learning Game. Arguments for an Education Revolution. Victor Gollancz, London 1996. ISBN 0-575-06235-5 ƒ 37,30. 315 blz.

HACKNEY DOWNS WAS ooit een trots Engels jongensgymnasium, met Harold Pinter en Michael Cain als beroemde oudleerlingen. Twaalf jaar geleden ging het bergafwaarts met de school. In zijn boek 'The Learning Game' beschrijft Michael Barber de puinhoop die hij er in 1995 aantrof. Barber was lid van een bestuurscommissie die orde op zaken moest stellen. Hackney Down was verloederd. Er werd slecht les gegeven en zelfs die slechte lessen werden soms achterwege gelaten. Het tempo was uiterst traag, het niveau van basisvaardigheden lag zwaar onder de maat. Leraren hadden extreem lage verwachtingen van hun leerlingen. Hoe kon het zover komen?

Eén ding is zeker, schrijft Barber: door lange jaren van slecht management degradeerde de school tot een arena waarin belangengroepen 'in naam van de school' ongegeneerd streden voor hun eigen baan of politieke positie. Over wat nu goed onderwijs zou zijn voor de inmiddels overwegend kansarm geworden populatie leerlingen ging het allang niet meer. De bestuurscommisie was verbijsterd hoe de 'cultuur' van de school een bron kon worden voor zelfmisleiding. Zo was het volgens de staf toch heel begrijpelijk dat de leerlingen zwak presteerden en leraren niet optimaal functioneerden met zo weinig middelen. Men moest de leraren nu maar eens met rust laten, dan zou het wel goed komen. En er was toch al een verbetering te constateren, of niet soms? Welnu, de bestuurscommissie kon geen verbetering vaststellen en rekende de school voor dat zij met alle extra financiële injecties van de afgelopen jaren zo ongeveer de best gesubsidieerde openbare school van het Britse Rijk was geworden. Zo'n school, vindt Barber, met zo'n klaagcultuur en zo'n desinteresse voor het leren van haar leerlingen, die op zo'n manier de haar geboden kansen op verbetering verkwanselt, moet dicht. En aldus geschiedde.

In Barbers 'masterplan' gaat het erom dat iedereen, en in het bijzonder kansarme leerlingen, het beste onderwijs krijgen dat er is. Ook zij moeten 'leren denken' en niet op een laag niveau blijven hangen. Het 'leren' centraal stellen, en vooral het 'leren denken', is de belangrijkste opgave voor de school van de 21e eeuw. Sterker: heel Engeland zou een lerende samenleving moeten worden. In afwisselend bevlogen, vaak zinnige, maar soms ook propagandistische taal slaat Barber de lezer om de oren en dwingt hij tot nadenken over onderwijs.

Barber is Tony Blairs belangrijkste onderwijsadviseur. Hij heeft de tijd mee, want Engelsen willen op dit moment maar al te graag sleutelen aan hun samenleving. Met hun onderwijs gaat het niet zo goed volgens internationaal vergelijkend onderzoek. Het boek is geschreven voor de dood van Prinses Diana en dat is te merken. De op handen zijnde uitbarsting van emoties is voelbaar: Engeland kan niet langer wegzinken in morele onverschilligheid. Leerlingen en leraren zijn de aangewezen mensen om wereldburger te worden in die lerende samenleving. En iedereen moet daaraan een bijdrage leveren, vindt Barber.

HERVERDELING

Met zijn reeks ingenieuze, provocerende en soms stuitend puriteinse ideeën - Barber weet gewoon wat 'goed' en slecht' is in het onderwijs - heeft hij het Nederlandse onderwijs wel wat te bieden. In de eerste plaats maakt hij een grondige analyse van de 'marktwerking' in het onderwijs, die zich toespitst op de strijd om de leerling. Barber is zich als sociaal-democraat en observator van het door de Conservatieven ingezette 'free market Stalinism' heel wel bewust van de versterkte ongelijkheid tussen scholen die de harde onderwijsmarkt heeft opgeroepen. Daarom moeten nu de onderwijsmiddelen zo verdeeld worden dat niet alleen het recht op werk, maar ook het recht op leren en op leren denken, aan alle leerlingen wordt gegarandeerd. In die herverdeling kan dan ook het Engelse privé-onderwijs uitgedaagd worden tot een interessant aanbod voor een breder publiek. Maar 'marktwerking' wordt niet afgewezen, integendeel: ouders moeten keuzevrijheid hebben. Het krijgt wel een menselijker gezicht door beter toezicht van en betere regie door de overheid.

Barber's tweede leerzame punt is zijn pedagogisch optimisme: alle kinderen kunnen leren denken. Dat is behoorlijk verfrissend. Waarom zouden we kinderen inderdaad geen recht op leren en 'verlichting' gunnen, als het leren en denken zulke essentiële vaardigheden zijn voor de toekomst? In leerpsychologie en neurologie krijgt dit optimisme steeds meer een wetenschappelijk fundament, maar in de scholen komt het leren denken als algemeen doel nog niet echt van de grond.

Barber vindt dat er meer 'intelligenties' van leerlingen moeten worden aangesproken dan alleen de cognitieve. In navolging van de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner vindt Barber dat er zeven 'intelligenties' ontwikkeld kunnen worden: een talige, een logisch-mathematische, een ruimtelijke, een muzische, een motorische, een sociale en tenslotte zelfkennis. Leerlingen zullen uiteraard verschillen in wat ze bereiken binnen deze vormen van intelligentie. Cruciaal is dat het - ook bij metaalbewerking - niet louter om praktische vaardigheden gaat maar om slimme vaardigheden, waarbij kennis, denken en doen samengaan. Het is juist deze koppeling van denken en doen die kansarme leerlingen zelfvertrouwen geeft.

Leren thuis, leren in een studiecentrum waar je na schooltijd heen kunt, of leren in een bedrijf: het telt allemaal mee bij Barber. Het studiecentrum is een vrijplaats voor leren en voor het experimenteren met nieuwe didactische en pedagogische methoden. Bij al deze uitbreidingen van leermogelijkheden blijft de school echter de belangrijkste plek; niet alleen voor leren en leren denken, maar ook voor persoonlijkheidsvorming, en het horen bij een 'morele gemeenschap'. Barber zet dan ook in op een ingenieus programma van schoolverbetering dat gebaseerd is op een analyse van de goed functionerende scholen en deels een voortzetting is van het onderwijsbeleid van de Conservatieven, bijvoorbeeld in het nationaal curriculum en de openbaarmaking van leerling- en schoolprestaties. Een belangrijke rol op school moet het individuele leercontract gaan spelen. Dat contract tussen school en leerling legt inspanningsverplichtingen op aan de scholier, zijn ouders, de leraar en de school.

KLAAGCULTUUR

Een goede school gaat verder dan deze formele kenmerken. Zo'n school heeft een cultuur die het leren denken bevordert. Die heeft in dat opzicht hoge verwachtingen van haar leerlingen en vraagt zich regelmatig af welke leeromgevingen de leerling optimale kansen biedt om zelfvertrouwen te krijgen in leren. Zo'n cultuur staat of valt met het lerarenteam. Een groot probleem is dat bezuinigingsbeleid en verhoogde werkdruk hun de liefde voor het vak en voor hun leerlingen, kortom hun 'generositeit', ontneemt. Daardoor ontstaat gemakkelijk een klaagcultuur à la Hackney Downs. Beoordeel daarom het functioneren van leraren (en hun scholen) systematisch en streng, maar zorg tegelijk voor een goede herplaatsing, en voor bijscholing, zegt Barber. Lukt het dan nog niet: stuur de leraar weg en hef de school op. Belangrijke voorwaarde voor dit no-nonsensebeleid is een sterk verbeterde lerarenopleiding.

Onderwijs moet onontkoombaar worden, aldus Barber. Ongeïnteresseerde leerlingen grijpt hij in hun nekvel door een leercontract, ongeïnteresseerde ouders moeten de vorderingen van hun kind op de computer volgen, mensen uit het bedrijfsleven en 'notabelen' zouden eens een periode 'teacher associate' (klasse-assistent op niveau) moeten worden, en omgekeerd zouden ook leraren een aantal jaren ervaring moeten opdoen met ander werk. En het frappante is dat zo'n onhaalbaar ogend betrokkenheidsoffensief in Barbers argumentatie volstrekt plausibel wordt. Gek eigenlijk dat we het niet allang zo doen.

In Nederland schreef op verzoek van staatssecretaris Netelenbos een commissie onder voorzitterschap van Roel in 't Veld in 1996 het rapport 'Toekomsten voor het funderend onderwijsbeleid'. Wie het vergelijkt met Barbers voorstellen, moet een wereld van verschil constateren. In 't Veld formuleert drie 'toekomsten', waarvan de derde nog het meest overeenkomt met de toekomst van Barber. Waar Barber kiest voor 'eenheid én diversiteit', is deze variant van In 't Veld weinig meer dan stereotype 'eenheidsworst': iedereen leert hetzelfde, met volkslied en al. Eigenlijk is de derde variant geen serieuze optie. Hoe komt dat nu? Dat ligt onmiskenbaar aan de uitgangspunten van het rapport. Ook weer heel anders dan Barber gaan de Nederlandse adviseurs uit van het 'gegeven' dat er aan sociale ongelijkheid toch niets gedaan kan worden omdat het leervermogen individueel-genetisch vastligt. En inderdaad, uit dat gegeven is vertrouwen in het leren denken moeilijk vol te houden. Zo'n sociaal en genetisch determinisme ontneemt kinderen het recht op leren denken.

Hetzelfde gebrek aan vertrouwen in de leerbaarheid van het denken speelt de actuele discussie rond het VBO parten. Volgens Barber is dit geharrewar over het theoretisch dan wel praktisch gehalte van het voorbereidend beroepsonderwijs een verkeerde discussie. Hoe ook al weer noemde Barber het het Nederlandse idee om 30 procent van de leerlingen een overwegend praktische opleiding te geven vanaf hun twaalfde jaar? Een fatal mistake.