De personen, niet de buurt; Buurtkenmerken bieden geen verklaring voor jeugdcriminaliteit

HET STARTPUNT voor het onderzoek van Ben Rovers naar de jeugdcriminaliteit was een klassieke sociologische studie van de 'Chicago School'. “In de jaren dertig keek men voor het eerst naar de spreiding van jeugdmisdaad over de stad. Toen ontstond het idee, dat bepaalde buurtkenmerken van invloed zijn op het gedrag van jongeren. In buurten waar de sociale controle gering is en waar armoede heerst zouden jongeren sneller delicten plegen dan vergelijkbare jongeren in welvarender buurten.”

Maar tijdens een groot beschrijvend onderzoek voor de gemeente Rotterdam groeide bij Rovers de twijfel. “Er bestaat inderdaad een sterke geografische samenhang tussen de problemen. De buurten waar veel jeugddelinquenten wonen zijn vaak ook de buurten waar veel delicten plaatsvinden en de buurten met veel sociale problemen. Maar criminaliteit is een individueel gedragsverschijnsel. Ik vroeg mij af of je de sterke samenhangen op buurtniveau ook oorzakelijk kunt interpreteren. Het omgevingskenmerk 'buurt' hoeft niet van invloed te zijn op het gedrag van individuen.”

Om deze vraag te beantwoorden moest een aantal praktische problemen worden opgelost. Hoe kom je bijvoorbeeld aan betrouwbare gegevens over criminele jongeren? Rovers, verbonden aan het Instituut voor Sociaal-Economisch Onderzoek van de Erasmus Universiteit, begon bij de politie. “Die registreert jongeren die verdacht zijn van een misdrijf en daar wel of niet voor geverbaliseerd worden, apart. Die twee bestanden heb ik naast elkaar gelegd en vergeleken met resultaten van een eigen onderzoek onder vierduizend Rotterdamse jongeren. Zo kreeg ik een consistent beeld van de woonplaatsen van jonge wetsovertreders.”

Het ging daarbij vooral om de daders van vermogensdelicten als winkeldiefstal en woninginbraak, om jeugdige vandalen en om daders van geweldsmisdrijven. Jongeren bleken zich niet tot een bepaald soort criminaliteit te beperken. Vooral de veel-plegers zijn geen specialisten. Vandaar dat Rovers de verschillende soorten daders in het onderzoek over één kam schoor. Wel bleek uit zijn eigen onderzoek dat de kans dat daders ook werkelijk met de politie in aanraking komen nogal verschilt. Zo belanden jongens na een misdrijf veel eerder bij de sterke arm dan meisjes, en geldt dat nog sterker voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren vergeleken met de rest van de bevolking.

Dat veel criminaliteit en de aanwezigheid van een groot aantal daders in een wijk vaak samengaan betekent niet dat de buurjongen het altijd gedaan heeft. Integendeel. Rovers: “Het verraste mij toch wel enigszins, dat jongeren nauwelijks delicten bleken te plegen in de eigen omgeving, in de eigen woonbuurt. Wel weer veel in de buurten die aan de woonbuurt grenzen, en ook vaak in buurten waarin scholen staan en in het stadscentrum. Vooral berovingen vinden vaak in het centrum plaats.”

BIJSTANDSTREKKERS

Vervolgens bepaalde Rovers voor elke buurt de mate van armoede of 'economische deprivatie' en de sterkte van de sociale controle. De eerste maat was simpel, goede indicatoren zijn bijvoorbeeld het percentage bijstandstrekkers en het aandeel huizenbezitters. De sociale controle mat hij indirect. Rovers: “Ik ben afgegaan op het aantal meldingen bij de politie over burengerucht en onenigheid op straat, op meldingen van drop-outs, verslaafden, openbare dronkenschap en dergelijke. Dit omdat dergelijke problemen in buurten met een geringe sociale samenhang vaker zullen optreden, en dat daar ook nog eens eerder een beroep op die politie gedaan zal worden.” Zoals verwacht concentreerden armoede, weinig sociale controle en hoge percentages jeugdige wetsovertreders zich in dezelfde oude stadswijken. Maar deze samenhang bleek terug te voeren tot het individuele niveau. De verschillen tussen de jongeren bleken vrijwel geheel verklaarbaar uit de verschillen in de individuele (gezins-)achtergronden. Met andere woorden, als je 'probleemjongeren' met hun individuele achtergrond naar een betere wijk zou verplaatsen, zouden ze ongeveer even crimineel blijven, en andersom.

Rovers: “Het is dus niet zo, dat jongeren die bijvoorbeeld in Spangen opgroeien een grotere kans hebben om crimineel gedrag te vertonen dan je op grond van hun individuele kenmerken zou verwachten. De verklaring van de verschillen tussen buurten is dat verschillende bevolkingsgroepen in verschillende delen van de stad wonen.” De verklaring voor een vergrote kans op ontsporing ligt volgens Rovers bij de individuele of gezins-positie op de maatschappelijke ladder, waarbij het er vooral om gaat dat men geen kans op vooruitgang ziet. Dan wordt de neiging om zich aan de regels te houden ook een stuk kleiner.

DE SCHOOL

Kan hiermee ook het hele begrip 'sociale samenhang' als betekenisloos uit het vocabulaire van de sociale wetenschappen geschrapt worden? Zo ver wil Rovers niet gaan. “De betekenis op het buurtniveau acht ik van weinig belang, maar de relatie tussen criminaliteit en sociale cohesie kan op allerlei niveaus uitgewerkt worden. Binnen andere sociale verbanden, zoals de school, is er mogelijk wel een samenhang. Dat de buurt geen invloed heeft wijst er op, dat de sociale netwerken van jongeren grotendeels los van die buurten staan.”

Deze relativering van het buurtniveau heeft ook praktische consequenties. Rovers: “Je zag het ook weer met die Oosterparkrellen in Groningen. Doordat de problemen zich geconcentreerd in een bepaald gebied voordoen, gaat men aan dat gebied een verklarende werking geven. Zo van: 'Het ging mis omdat er een wijkagent en een jeugdwerker zijn vertrokken.' Het verhaal, dat het buurtniveau zo belangrijk is voor de preventie door de overheid klopt gewoon niet. Je hebt dan geen oog meer voor de manier waarop de spreiding van die problemen veroorzaakt wordt.”

Vooral de verdeling van verschillende soorten woningen werkt volgens Rovers het ontstaan van probleemwijken in de hand. “Iedereen onder een bepaalde inkomensgrens zit hier in Rotterdam gewoon vast in die oude wijken. De mensen die ergens anders naar toe kunnen, vluchten weg. Die concentratie van problemen gaat maar verder, terwijl de overheid de beleidsinstrumenten uit handen heeft gegeven om er wat aan te doen. Je moet van grote hoeveelheden bestaande huurwoningen koopwoningen maken, en in nieuwbouwprojecten meer sociale woningbouw stoppen. Dat is eigenlijk de enige optie. Zo krijg je in elk geval een rechtvaardiger verdeling van de problemen.”