De charme van banjeren met een fiets op je nek

Bij het WK in Middelfart ploeteren de veldrijders morgenmiddag met de fiets op de nek over besneeuwde of bevroren bospaden. Schoonheid of waanzin, de discussie zal nooit verstommen. Wat is de charme van deze eigenaardige sport?

BEEK, 31 JAN. Hotel 't Spijker is sinds jaar en dag de vaste locatie van de nationale selectie veldrijden. In het centrum van Beek, onder de rook van Nijmegen, ligt een ouderwets gastenverblijf met uitzicht op de uiterwaarden. Het keukenpersoneel serveert witte boterhammen met warme kroketten. In de lobby zitten twee wielerjunioren achter een schaakbord. Hotel 't Spijker ademt de sfeer van Perzisch tapijt en leent zich uitstekend voor de veldrijders die aan het eind van de middag met bemodderde gezichten en verkleumde ledematen naar het haardvuur strompelen.

Een paar kilometer zuidwaarts ligt Berg en Dal, een ideale trainingslocatie voor de veldrijders. Het hoogteverschil aan de rand van het bos telt 47 treden. Hier werd Kees van de Wereld in 1980 Nederlands kampioen. Hier leert hij zijn opvolgers de gecombineerde techniek van fietsen, lopen, klimmen en dalen. Boomstronken doen dienst als natuurlijke hindernis. Wandelaars kijken vol bewondering naar de stuurmanskunst van de veldrijders. “Een middagje kachelen door de natuur, iets mooiers bestaat er niet”, zegt assistent-bondscoach Van de Wereld.

De vriendschappelijke band bij de veldrijders is volgens Van de Wereld te danken aan de mekanikers, wielerjargon voor mecaniciens. Zij vormen het middelpunt van een curieus circus. Nachtelijke autoritten van Praag naar Koksijde, van Drenthe naar Lombardije, zijn een jaarlijks terugkerend ritueel. De mecaniciens sleutelen in de vrieskou aan de fietsen. Ze helpen de concurrerende veldrijders als die met pech aan de kant staan. Ze geven de coureurs het goede voorbeeld. Gezonde rivaliteit mag niet ten koste gaan van sportief gedrag. De liefde voor het materiaal is universeel. “Maar de fiets blijft een randverschijnsel”, zegt Toon van de Wetering die al bijna twintig jaar als mecanicien werkzaam is.

Van de Wetering wordt deze middag vergezeld door zijn vaste maatje Tony Arts, ook al zo'n oude rot in het vak. Ze lopen met hun gereedschap door het Gelderse bos. Ze vertellen over vroeger, want een wielerliefhebber vertelt graag over vroeger. Ze vertellen ook over hun nachtelijke avontuur in een Duits hotel. Van de Wetering: “We lagen door een misverstand in één bed, maar we wilden natuurlijk niet tegen elkaar liggen. Toen hebben we de fietsbanden van Richard Groenendaal in het midden van het matras gelegd. Daar had die jongen helemaal geen moeite mee, want zijn materiaal is heilig. Hij is doodsbang dat er iets aan mankeert. Een echte perfectionist.”

Groenendaal is de verpersoonlijking van de moderne crosser. De Nederlandse kampioen behoort tot de grootverdieners in het wielerpeloton. Het sponsorcontract met Rabobank en de winstpremies bij wereldbekerwedstrijden zijn voor Groenendaal lucratiever dan een regenboogtrui. De wereldtitel is bijzaak, maar niet alleen om financiële redenen. “Ik ben te veel liefhebber om al die mooie koersen te laten lopen voor een goede voorbereiding op het WK. Ik wil een ambassadeur zijn en geen profiteur.”

Richard Groenendaal leerde de fijne kneepjes van zijn vader Rein, die in de jaren zeventig en tachtig schitterende duels uitvocht met Hennie Stamsnijder. Ze waren exponenten van een talentvolle generatie veldrijders. Bondscoach Herman Snoeijink en zijn collega Van de Wereld behoren tot dezelfde lichting. Goed beschouwd heeft Nederland een rijke traditie in het veldrijden; samen met België, Frankrijk, Zwitserland, Italië en Tsjechië. De uitverkiezing van het Deense Middelfart als organisator van het wereldkampioenschap valt onder de categorie ontwikkelingshulp. Het veldrijden moet een internationaal karakter krijgen.

De bakermat van het veldrijden ligt in Frankrijk. Rond de eeuwwisseling merkte de soldaat Daniel Gousseau dat zijn dienstfiets uitstekend geschikt was voor het rulle zand in de omgeving van Parijs. Zijn generaal ging te paard en kwam veel later uit de bossen tevoorschijn. Gousseau had zijn lesje geleerd en meldde zich aan bij de Franse wielerbond. Hij organiseerde in 1902 de eerste, officiële veldrit. De Franse ouverture vond navolging in de omringende landen. Nederland liep een beetje achter bij de nieuwe ontwikkelingen. De Apeldoornse wielerclub De Adelaar organiseerde in 1939 de eerste crosswedstrijd.

Veldrijden heeft nog steeds een ouderwets karakter, maar de sporters en het materiaal hebben zich aangepast aan de moderne wetenschap. Door de opkomst van de mountainbike is de traditionele racefiets van uiterlijk veranderd. De banden zijn dikker en stugger. De pedalen hebben een kliksysteem en zijn verlost van de onhandige toeclips. De remmen zijn beter bestand tegen de modder door het bloksysteem. Ook het schoeisel van de veldrijder is aangepast aan de glibberige omstandigheden. Een dubbele rij noppen voorkomt valpartijen tijdens het lopen.

De trainingen zijn intensiever dan vroeger. Coach Van de Wereld maakt een onderscheid tussen intervaltraining, duurtraining en hersteltraining. Vlak voor het WK ligt de nadruk op de laatste oefening. Hij begeleidt de renners over de balken, die steeds vaker worden opgenomen door de parcoursbouwers. De Belgische amateur Sven Nijs weet elk obstakel fietsend te passeren. Eerst tilt hij het voorwiel omhoog en eenmaal in de lucht weet hij ook het achterwiel omhoog te tillen. Van de Wereld: “Nijs is net een paard. Hij springt met gemak over een sloot van twee meter.”

De meeste Nederlandse veldrijders moeten afstappen bij de hoge balken. Van de Wereld legt uit hoe een coureur in één vloeiende beweging van zijn fiets stapt, de hindernis passeert en weer op zijn fiets stapt. “Eerst moet je terugschakelen naar het verzet waarmee je later weer op gang komt. Dan moet je de snelheid van de fiets overbrengen op het lopen. Daarna leg je de hand op de bovenbuis en breng je het rechterbeen binnendoor zodat het ritme niet wordt verstoord. Als je de beweging goed uitvoert, kost de heel actie slechts een fractie van een seconde.”

Toch blijft het een koddig gezicht om een wielrenner met de fiets op zijn nek door het veld te zien banjeren. Bondscoach Snoeijink: “Daarom streven we naar snellere parcoursen. In mijn tijd waren het een soort hardloopwedstrijden. Die had Gerard Terbroke (oud-atleet) ook nog kunnen winnen.” Van de Wereld: “We moeten de cross naar de mensen brengen en niet andersom. Daarom zoeken we parcoursen in een stedelijke omgeving, zoals Woerden en Heerlen. Maar we moeten oppassen dat we niet te veel veranderen. Het nostalgisch beeld van het veldrijden mag niet vervagen.”