Bedelen om stageplek

WERD ER JARENLANG moord en brand geschreeuwd dat de belangstelling voor het beroep van leraar in het basisonderwijs tot ongeveer nul was gedaald, nu de groei er weer in zit dreigt de doorstroming verstopt te raken door een gebrek aan stageplaatsen. De Haarlemse Pabo slaat alarm, want, zo vindt directeur Hanneke Abrahamse, er is een grens aan het gebedel om stageplaatsen.

De rek is er uit, terwijl het aantal studenten dat op stage moet razendsnel groeit. Hoewel in de Wet op het Basisonderwijs van een verplichting wordt gesproken, is de praktijk zo dat scholen zelf beslissen of ze stagiairs nemen of niet. En omdat zich een algemeen gevoel van overbelasting heeft meester gemaakt van het basisonderwijs is de animo om stageplaatsen aan te bieden niet overweldigend groot.

“De stage is het hart van de opleiding”, zegt Janneke Makkink, stagecoördinator van de Haarlemse Pabo. “Onze studenten moeten in de praktijk leren werken met kinderen en zich kunnen oefenen in het lesgeven.” Makkink is bang dat het heel moeilijk zal worden om de verwachte 170 eerstejaars volgend schooljaar op tijd aan een stageplek te helpen. Te meer daar eerstejaars niet de meest aantrekkelijke stagiairs zijn voor scholen. Ze zijn volkomen groen en er moet veel tijd in gestoken worden. Bovendien ontdekt zeker een kwart van de studenten tijdens deze stage dat ze niet geschikt zijn voor het vak van leraar. “En dat is voor een mentor natuurlijk geen leuke ervaring”, zegt Janneke Makkink.

Eerstejaars studenten lopen gedurende het hele eerste schooljaar één dag stage per week. Maar ook in de drie volgende studiejaren is de stage een vast en belangrijk onderdeel van de opleiding. Pabo's kunnen zelf de stageperiodes indelen, maar ze moeten wel uitkomen op gemiddeld 40 tot 45 dagen per jaar. Vanaf volgend jaar zullen vierdejaars studenten als Lio - leraar in opleiding - twintig weken zelfstandig een klas moeten runnen. Zelfs de meest bereidwillige scholen tonen op dit punt flinke aarzelingen, wat het binnenhalen van stageplaatsen zeker niet bevordert. Directeur Abrahamse vindt het langzamerhand niet meer het probleem van de lerarenopleidingen alleen om aan voldoende stageplekken te komen. “Ook het ministerie en de schoolbesturen moeten zich eens afvragen of zij iets kunnen doen aan het tekort.”

De - vooral vrouwelijke - jeugd wil weer voor de klas. Tien jaar geleden meldden zich op de Haarlemse Pabo zo'n 20 tot 25 nieuwe eerstejaars. Drie jaar geleden was dat aantal gegroeid tot zeventig en vorig jaar verdubbelde het ruim tot honderdvijftig nieuwe studenten. Als de voortekenen niet bedriegen zet de stijgende lijn ook komend studiejaar door. Hanneke Abrahamse en Janneke Makkink verwachten ten minste 170 eerstejaars studenten. Ongeveer negentig procent van de aanmelders is vrouw. De snelle aanwas, ook van ver buiten de Haarlemse regio, is volgens hen deels het gevolg van het mooie rapportcijfer dat de visitatiecommissie uitdeelde aan hun Pabo. “Maar je kwaliteit gaat er aan als je stages niet goed lopen en studenten moeten wachten voor ze een plek hebben”, zegt Abrahamse. Om dezelfde reden zou stagecoördinator Makkink liever geen studenten naar scholen sturen die ze met alle geweld heeft moeten overhalen om een stagiair te plaatsen.

De redenen om slechts mondjesmaat stagiairs te nemen vindt Makkink overigens niet eens altijd ondeugdelijk. “Sommige scholen zijn in fusies verwikkeld en dat geeft al onrust. Andere scholen voeren aan dat ze veel duo-banen hebben en de kinderen niet ook nog met een stagiair willen confronteren.” Bij Abrahamse kan die zuinige houding van basisscholen op minder begrip rekenen. Hij zou het toejuichen als de Wet op het Basisonderwijs, in plaats van een maximum, een minimum aantal stagiairs zou voorschrijven, bijvoorbeeld een derde van het aantal klassen dat een school heeft. Daarnaast vindt de Pabo-directeur dat er snel overleg moet komen met de schoolbesturen in de regio Haarlem. “Het is een gezamenlijk probleem, ook de scholen zijn er bij gebaat als er voldoende stageplaatsen zijn voor studenten.” Daarnaast zou de inspectie scholen kunnen aanspreken op het aantal stagiairs dat ze hebben, vindt Abrahamse. En er zou gekeken kunnen worden naar een hogere financiële vergoeding. “Nu krijgt een schoolbestuur ongeveer zes gulden per dag per stagiair”, rekent Makkink voor. “Vijftien jaar geleden ging het stagegeld naar de onderwijzer zelf. Dat is toch veel leuker.”

Directeur Ruud Stouten en stagecoördinator Olga Hock van basisschool De Molenwiek in Haarlem vinden het een vanzelfsprekende zaak dat er altijd stagiairs in hun school rondlopen. “Wij hebben het vak vroeger ook op een school kunnen leren, dat moeten anderen nu ook”, zegt Stouten. De Molenwiek is een grote school met zeshonderd leerlingen. Er werken ongeveer 45 docenten, van wie een flink aantal in deeltijd. Per jaar biedt de school plaats aan vijftien tot twintig stagiairs. “De stagedag moet voor de student de leukste dag van de week zijn”, vindt Hock. Ze heeft over het algemeen veel lol van haar stagiairs, hoewel het ook zeker tijd kost. Hock en Stouten zijn het er wel over eens dat de Pabo-studenten weinig vernieuwende ideeën met zich meebrengen, “maar ze voegen wel degelijk wat aan je onderwijs toe”, zegt Stouten. “Ze houden je wakker en dwingen je om na te denken over je vak.”

Dat andere scholen soms mondjesmaat stagiairs nemen, vindt Stouten 'een beetje aso-gedacht'. Het argument van de overbelasting kent hij. “Maar dat kunnen ze niet volhouden, anders zijn er straks helemaal geen nieuwe onderwijzers.” De komst van de Lio baart Stouten en Hock overigens wel zorgen. “Wij hebben hier zeer gekwalificeerde docenten voor de klas staan die op van alles zijn bijgeschoold”, legt Stouten uit. “Moet ik er dan iemand neerzetten die minder gekwalificeerd is en van toeten noch blazen weet? Hoe kan ik ouders dezelfde kwaliteit blijven garanderen?”

Directeur J. Ittmann van basisschool Bikube in Hoofddorp heeft op dit moment geen enkele stagiair. Van de Pabo-student die begin dit schooljaar zijn entree maakte, zag de directeur al meteen dat hij niet geschikt was voor het vak. “De belasting in het onderwijs is groot. Je moet het wel heel graag willen”, waarschuwt Ittmann. Zijn school telt 230 leerlingen verdeeld over elf groepen. Er lopen twintig docenten rond. Hij neemt zowel zijn leerlingen als zijn leraren in bescherming tegen in- en uitlopend Pabo-volk. “Het functioneren van de klas is voor ons het uitgangspunt, het mag niet ten koste gaan van de kinderen.” Ittmann denkt daarbij vooral aan onrust in de groep en aan het vaak twijfelachtige niveau van de stagiair. Er moet volgens hem sprake zijn van een wisselwerking tussen school en stagiair. “Wij moeten een meerwaarde te bieden hebben en de stagiair moet een plek hebben waar hij wat kan leren.” Ittmann zou er bepaald geen voorstander van zijn als basisscholen verplicht werden stagiairs op te nemen. En in de Lio's ziet hij helemaal weinig, omdat er op de Pabo's te weinig wordt geselecteerd. “De ene zal het wel kunnen, van de ander heb je meer last dan gemak. En dan moet de leerkracht het later allemaal weer rechtbreien.”

Het ministerie van Onderwijs heeft inmiddels ook de alarmklok van de Pabo's horen luiden en heeft, zo meldt een woordvoerder, de inspecties opdracht gegeven uit te zoeken wat er precies aan de hand is. Dat is het ministerie wel aan zijn stand verplicht, nu ze de jeugd via een landelijke campagne oproept om de toekomstige Bolkensteintje en Zalmpjes te leren lezen en rekenen.