Actie Australisch Comité kan rauwe werkelijkheid aboriginals niet verhelen; Olympische vlam in het getto

Het organisatiecomité van de Olympische Spelen van 2000 in het Australische Sydney maakt goede sier met de cultuur van de aboriginals. Vlaggendraagster is wereldkampioene Cathy Freeman - maar zij spreekt de regering juist aan op de slechte situatie waarin haar volksgenoten verkeren. Welkom in de stad waar de wanhoop regeert.

Milton Cockburn is pas twee maanden in dienst van de Sydney Organising Comittee for the Olympic Games (SOCOG), maar de persvoorlichter kent het vaste deuntje al uit zijn hoofd. Sydney ligt op koers voor de Centennial Games. Het indrukwekkende olympisch stadion in Homebush Bay, dat plaats zal bieden aan 110.000 toeschouwers, wordt in maart 1999 voltooid. SOCOG heeft geleerd van het falende transport in Atlanta, dat is in ieder geval beter geregeld. Maar de stortvloed aan gemeenplaatsen stokt als de tere kwestie van de participatie van aboriginals aan de orde wordt gesteld.

“Wij hebben een speciale commissie in het leven geroepen die de integratie van de aboriginals op alle niveaus moet begeleiden”, zegt Cockburn aarzelend. Op Internet heeft SOCOG welgeteld één pagina besteed aan de wijze waarop de cultuuruitingen van de minderheden in Australië worden ingebed in het eeuwfeest van de olympische familie. Daar wordt vermeld dat de aboriginals een essentiële bijdrage leveren aan het olympische kunstfestival en de ceremoniën tijdens de Spelen van 2000.

Cockburn roept maar al te graag atlete Cathy Freeman als getuige op om de symbiose tussen aboriginals en Australiërs te onderstrepen. Afgelopen week werd zij op Australia Day uitgeroepen tot Australische van het Jaar; de hoogste onderscheiding die een aboriginal ooit uit handen van de regering heeft mogen ontvangen. Freeman liep vorig jaar na het behalen van de wereldtitel op de 400 meter harlopen in Athene een ereronde met zowel de Australische vlag als die van de aboriginals in haar handen. Maar nadat ze door premier Howard was omhelsd, liet Freeman blijken waar haar hart ligt. De boodschap moet hard zijn aangekomen bij de liberale regering: “Ik zou wel een keer openlijke excuses van de regering willen horen voor het beleid van vroeger. Een dergelijk gebaar zou talloze wonden kunnen helpen genezen”, vertelde Freeman aan het dagblad The Australian. Hoewel Freeman zich op dat vlak vierkant tegenover de regering opstelt, weigert ze zich te laten misbruiken als een mascotte van de Nyungar-stam in Perth die haar opriep de Spelen van 2000 te boycotten. “Ik begrijp hun woede en verbittering over de wijze waarop ze decennia lang zijn gediscrimineerd”, vertelde Freeman. “Ik heb ook respect voor hun normen en waarden. Toch wil ik onze strijd juist op een positieve manier voeren.” Als een eerbetoon aan haar vader Norman, die vijf jaar geleden is overleden aan overmatig drankgebruik. Freeman: “Ik ben in heel wat plaatsen geweest waar aboriginals onder omstandigheden leven die mij aan een Derde-Wereldland doen denken. Veel aboriginals zijn zo gedemoraliseerd geraakt dat ze naar de fles grijpen en zich aan geweld schuldig maken. Nu ik ben uitgeroepen tot Australische van het Jaar kan ik als zwarte vrouw een bron van inspiratie zijn voor alle aboriginals die denken dat het leven zinloos is.”

Blowen en zuipen

Als onderdeel van het ceremoniële gedeelte wordt de olympische vlam door wijken van Sydney gedragen waar volgens SOCOG voornamelijk aboriginals wonen. Het gebaar moet de betrokkenheid van de aboriginals symboliseren en de goede verstandhouding met de oorspronkelijke bevolking van Australië. Een wandeling door de vervallen wijk Redfern - waar de gedemoraliseerde aboriginals te vinden zijn naar wie Freeman verwijst - nuanceert het optimistische beeld van de SOCOG. Daar waant de buitenstaander zich in een miniatuur van Soweto, de townships voor zwarten bij Johannesburg. Australië weet zich duidelijk geen raad met zijn besmette verleden. De aboriginal wordt gepromoot als een artikel dat vroeger niet in de winkel mocht liggen.

“Dit is de buurt die het gemeentebestuur van Sydney tijdens de Spelen van 2000 beslist niet aan de wereld wil laten zien”, zegt Mick Mundene van de Aboriginal Housing Company over Redfern. Aan de overkant van de Parramatta-rivier heupwiegt de skyline van Sydney in de brandende zon. Op de hoek van Eveleigh Street vraagt een groepje dronken en haveloze aboriginals om een sigaret. “Kijk ze nou zitten”, moppert Mundene. “Ze vergooien hun tijd met gokken, blowen en zuipen. Deze wijk gaat kapot, doordat de aboriginals het respect voor zichzelf hebben verloren. Ik probeer daar tegen te vechten door ze een beter perspectief te bieden. Maar deze mensen geloven nergens meer in. Ik word gemangeld door mijn eigen achterban.”

Twee huizenblokken die op instorten staan maken de kern uit van het getto dat Redfern zijn slechte imago heeft bezorgd. “De aboriginals die hier wonen, weigeren te vertrekken, terwijl je hier nog geen hond zou willen laten wonen”, zegt Mundene. “Tien, vijftien jaar geleden was Redfern nog een nette buurt. Helaas zijn ook hier aboriginals komen wonen die dachten dat ze hun mentaliteit van het platteland konden meenemen naar de grote stad. Zij dachten in hun huizen een vuurtje te kunnen stoken. Ze wisten niet eens wat buren waren.”

Mundene wil de sloppenwijk in Redfern - waar rivaliserende drugsbendes de straten onveilig maken - tot op de laatste steen afbreken en daar degelijke appartementen voor in de plaats zetten. “Ik heb zes miljoen Australische dollars van de lokale overheden tot mijn beschikking, maar ik krijg de aboriginals niet uit hun krotten. Prompt moest ik me verdedigen tegen het verwijt van het stadsbestuur van Sydney dat ik me te weinig inspande om het getto in Redfern te ontmantelen en werden enkele fondsen geblokkeerd. Ik zit voortdurend tussen twee vuren.”

Als ergens duidelijk is dat aboriginals zich nog altijd tweederangsburgers voelen, dan is het in Walgett, een stadje ongeveer negenhonderd kilometer ten westen van Sydney. “Walgett is het perfecte voorbeeld van een provinciestad waar een meerderheid van aboriginals nog steeds lijdt onder de politiek van bevooroordeelde en racistisch denkende blanken”, zegt Michael Anderson, coördinator van de Aboriginal Death in Custody Watch Commission. Overdag leven blank en zwart in Walgett ogenschijnlijk in harmonie met elkaar. Maar 's avonds verandert het straatbeeld in het stadje. De gegoede minderheid in Walgett verpoost zich in de Return Soldiers Pub, met een mondaine Sporting Club met zes tennisbanen en een golfcourse. De aboriginals zoeken elkaar op in hun eigen cafés. Na een vlucht van vijftig minuten in een klein propellor-vliegtuigje naar Dubbo en een rit van drie uur door uitgestrekte weilanden, inclusief overstekende kangaroes, had Anderson zijn Nederlandse gast welkom geheten in “een stad waar de wanhoop regeert”.

De stemming in het kantoortje van de Aboriginal Legal Service is geladen. Anderson heeft enkele aboriginals uitgenodigd hun klachten over het politie-optreden in het ogenschijnlijk zo vredige stadje in de deelstaat New South Wales op papier te laten zetten. “Want de zaken lopen hier uit de hand”, vertelt Anderson. Walgett telt niet meer dan 2.700 inwoners, van wie driekwart aboriginals. Toch blijkt uit de statistieken van de Independent Commission against Corruption dat in 1997 maar liefst 775 mensen zijn gearresteerd. “En daar zat nauwelijks een blanke bij.”

Anderson steekt een indringend betoog af tegen de aanwezigen, onder wie Mary wier zoon van zestien jaar voor drie maanden in de gevangenis zit. Anderson heeft geen prettige boodschap voor haar. “Eens komt het moment dat hij gaat flippen en dan zullen we zien hoe sterk hij is. Nu vertoont hij nog geen suïcidale neigingen, maar dat kan zo omslaan.” Mary begint zachtjes te huilen. “Een bewaker heeft hem bij een temperatuur van 38 graden gedwongen op zijn blote voeten over het smeltende asfalt te lopen. De vellen hingen onder zijn voetzolen. Ik weet niet hoelang hij dit nog volhoudt.”

Three-factor

Richard Green van de Aboriginal Housing Company in het nabijgelegen Wee Waa schetst zijn eigen confrontatie met de politie. Hij had een biertje gedronken in een van de cafés van de aboriginals en kreeg op weg naar het volgende café woorden met een agent. Uit de officiële aanklacht van Green: “Vervolgens kwam hij achter me aan, schold me uit voor zwarte mongool en sloeg me vijf keer hard in het gezicht. Ik slaagde er ondanks mijn verwondingen in de bar te verlaten, waarna ik voor de deur werd gearresteerd. Ik werd op borgtocht vrijgelaten en de volgende dag heb ik een aanklacht ingediend wegens mishandeling.” Met een cynisch lachje overhandigt Green de brief van commissaris Johnson aan Michael Anderson. “Omdat er onvoldoende bewijs was voor vervolging van de bewuste agent is de zaak geseponeerd.”

Dat overkomt de aboriginals wel vaker, stelt Anderson. De three-factor noemen ze dat in Walgett. De aboriginal wordt in de cel gezet voor obsceen taalgebruik, openbare dronkenschap of het verzet tegen zijn arrestatie. “En dan moet je oppassen geen tweede Eddy Murray te worden”, zegt Green.

De aanwezigen in het kantoor van de Aboriginal Legal Service knikken instemmend. Bijna zeventien jaar na zijn dood staat Eddy Murray model voor de aboriginal die onder verdachte omstandigheden in zijn politiecel om het leven komt. Zoals gewoonlijk luidde de officiële versie dat er sprake was geweest van zelfmoord door ophanging. Maar was de zestienjarige Edward James Murray wel in staat zichzelf te verhangen nadat hij zwaar beneveld door de politie was opgepakt? Drie onderzoekers van de Northern New South Wales Aboriginal Community Legal Centre schreven eind vorig jaar een lijvig rapport onder de titel 'Too Much Wrong', dat zich laat lezen als een detectiveroman. Was een adequate autopsie op zijn lichaam mogelijk in slechts tien minuten? En was een verpleegster in het mortuarium er niet van overtuigd dat Murray nog geen blauwe plekken en striemen in zijn nek had, toen zijn lichaam door de politieagenten naar binnen werd gebracht?

De argumenten die naar aanleiding van deze vragen boven tafel kwamen waren zo overtuigend dat de zogeheten Royal Commissioner zich gedwongen voelde de zaak-Murray te heropenen. Zestien jaar lang hadden de ouders van de talentvolle rugbyer zich vergeefs verzet tegen de uitspraak van diezelfde Royal Commissioner, dat niet was na te gaan of Murray mogelijk op een andere wijze dan zelfmoord om het leven was gekomen. Al die tijd hadden de autoriteiten gezwegen en bleven tal van vragen onbeantwoord. Eind 1997 werden de resten van het lichaam van Murray opgegraven voor een nieuwe autopsie. Inmiddels lijkt vast te staan dat Edward niet zijn nek heeft gebroken door ophanging. Binnen twee maanden zal de Royal Commissioner bepalen of de betrokken agenten terecht moeten staan wegens moord. “Als dat gebeurt, hebben de aboriginals ten minste een morele overwinning behaald”, zegt Anderson. “Want in het verleden mochten ze té vaak hun broekriem aanhouden als ze achter slot en grendel werden gezet.”

Murray blijkt niet de enige te zijn die het noodlot tart door te diep in het glas te kijken. Na een rondrit door het achterland van Walgett toont Anderson de plaats waar hij als kind een pakje sigaretten jatte om ze vervolgens voor twintig cent per stuk te verkopen. “Je moest creatief zijn om aan geld te komen. Het Crown-land van de blanke Australiërs lag aan de overkant van de rivier, de aboriginals zaten met hun families in hun veel te kleine huizen op hun Koori-land. Ik herinner me dat hier 75 kinderen van mijn leeftijd woonden. Slechts twintig van hen hebben net als ik de vijftig gehaald. De anderen hebben zich letterlijk dood gezopen. Wat is gemakkelijker dan te vluchten in de drank als het leven geen uitweg biedt? Die apathie bij de aboriginals, daar verzet ik me nog steeds tegen.”

Maar een vuist maken kan hij niet. Met een diepe zucht erkent Anderson dat de verdeeldheid onder de aboriginals zo groot is dat hij in feite slechts zijn eigen gezin kan vertegenwoordigen. “De aboriginals in Walgett bestaan uit zes families, die elkaar tot op het bot wantrouwen. De oorzaak ligt in de vele gemengde huwelijken tussen leden van de verschillende stammen. Dat is nog steeds een doodzonde. Mijn moeder sprak het Iuahlaya, mijn vader het Gumilaroy: twee stammen, twee wetten.”

Blank grondgebied

De onderdrukking door de blanke Australiërs werd officieel in 1969 opgeheven, maar de frustraties van de aboriginals worden volgens Anderson nog steeds gevoed door hun traumatische geschiedenis. Hij wijst op een oude Chinese winkel. “Daar moesten we ons voedsel halen, als we ten minste voldoende geld van onze bankrekeningen kregen uitgekeerd, want dat mochten we niet zelf opnemen. De politie bepaalde ook hoeveel we mochten uitgeven. Of we een auto mochten kopen, of we een bankstel mochten aanschaffen. Tot eind jaren zestig moesten we aan de lokale politiechef toestemming vragen blank grondgebied te betreden”, vertelt Anderson. De politie bepaalt volgens hem nog steeds het openbare leven in plaatsen als Walgett. Nieuwe recruten worden verplicht zich te scholen in de cultuur en de achtergronden van de aboriginals. “Maar in feite nemen ze vooral de vooroordelen over van hun collega's. In Walgett hebben aboriginals het idee dat ze bijna dagelijks worden geprovoceerd door de white coppers. Zij destabiliseren de samenleving in Walgett.”

Een woordvoerder van de politie in Walgett, die anoniem wil blijven, noemt de beschuldigingen van Anderson 'unfair'. Het hoge aantal arrestaties in het Australische provinciestadje is volgens hem te wijten aan het geweld in de gezinnen van de aboriginals. “Dat is het grootste sociale probleem in Walgett”, meent de politieman. “Ik vind het nogal goedkoop van Anderson naar de politie van Walgett te wijzen. Wij zijn niet racistisch. De aboriginals houden er ten opzichte van elkaar strengere normen en waarden op na dan wij. De politie stelt zich juist terughoudend op. Tegelijkertijd organiseren wij verschillende cursussen voor de aboriginals om het gebruik van alcohol en het hanteren van geweld bij echtelijke problemen enigszins terug te dringen.”

De woordvoerder zou graag zien dat in Walgett aboriginals worden opgenomen in het politiekorps. “Maar niemand zal zich vrijwillig aanmelden, uit angst voor verrader te worden uitgemaakt. Bovendien maken veel kinderen hun school niet eens af en komen ze al snel terecht in een circuit van criminaliteit. Op die manier blijft de kloof tussen de aboriginals en de plaatselijke politie onverminderd groot.”

Anderson had van de plaatselijke politie geen ander commentaar verwacht. “Ze gooien alles op het echtelijke geweld bij de aboriginals, zo hoeft de politie zichzelf niet ter discussie te stellen.” In die zin is het politiebureau in Walgett volgens Anderson een symbool van de Australische natie. Vorig jaar mei werden oude wonden opengereten toen in het nationale parlement een felle discussie woedde over de vraag of de regering haar excuses moest aanbieden voor het repressieve beleid tegen de aboriginals tot het eind van de jaren zestig. Van een officieel excuus is het niet gekomen, slechts een verklaring dat de regering het beleid van vroeger 'betreurt' kon er vanaf. Anderson: “Blank Australië heeft nooit rekenschap afgelegd over zijn misdaden uit het verleden en dat maakt de verbittering bij de aboriginals alleen maar groter.”

Vuurtje stoken

Mick Mundene van de Aboriginal Housing Company in Redfern maakt een wegwerpgebaar als hij met de aanklacht van Anderson wordt geconfronteerd. “De ellende in Redfern alleen maar wijten aan de politie of aan de lokale overheid? Daar word ik dus zó moe van”, verzucht Mundene. “Het wordt tijd die zwart-witcontrasten te doorbreken. De problemen in Redfern zijn voor het grootste deel terug te voeren op het asociale gedrag van de aboriginals zelf.”

Dat het anders kan, laat Mundene zien aan de hand van een kleine sportschool in een van de vervallen straten van Redfern. Het fitness-lokaal is vernoemd naar zijn broer Tony, een bekende Australische bokser. “Tony gebruikte zijn vuisten om uit het getto omhoog te klimmen”, mijmert Mick Mundene. “De meeste aboriginals schuiven hun problemen af op de blanke overheid en op de blanke politie. Intussen laten ze hun eigen buurt volledig naar de kloten gaan.”

De Olympische Spelen zullen daar niets aan veranderen. “De liefdesbetuigingen van SOCOG en de overheid aan de cultuur van de aboriginals zijn natuurlijk pure cosmetica”, concluderen zowel Michael Anderson van de Watch Commission in Walgett en Mick Mundene van de Aboriginal Housing Company in Redfern. “De aboriginals worden letterlijk aan hun haren bij de Spelen betrokken. Maar in tegenstelling tot mensen als Anderson wijs ik naar mezelf”, zegt Mundene. “Ik ben het afgelopen jaar door een hel gegaan. Toch blijf ik de aboriginals in Redfern een spiegel voorhouden. Door hun buurt te laten verloederen, besmeuren ze in feite hun eigen cultuur. Met als gevolg dat die gedoemd is te sterven als we onze mentaliteit niet drastisch veranderen.”