Zwartboek over en door communisten; Franse zelfoverschatting

Stéphane Courtois, Nicolas Werth, Jean-Louis Panné, Andrzej Paczkowski, Karel Bartosek, Jean-Louis Margolin: Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression. Robert Laffont, 846 blz. ƒ 76,- Commentaire. Revue trimestrielle. Numéro 79 (Automne 1997) et Numéro 80 (Hiver 1997-98).

Per nummer ƒ 51,60.

Waarom heeft dit boek zoveel beroering gewekt? Niet omdat het veel nieuws heeft te bieden, want de bijdragen in deze bundel, gewijd aan de misdaden van communistische regimes, doen dat nauwelijks. In het belangrijkste, tweehonderdvijftig bladzijden tellende hoofdstuk over de Sovjet-Unie schetst Nicolas Werth hoe het bewind van Lenin en Stalin een oorlog tegen de eigen bevolking voerde. De 'onthulling' dat al sinds het uitbreken van de Oktoberrevolutie in 1917 de terreur ongelimiteerd regeerde, kan geen indruk maken als men het werk kent van bijvoorbeeld Richard Pipes, Adam Ulam of Robert Tucker.

Voor Werth lijken deze auteurs onbekenden te zijn, hij noemt ze in elk geval niet. Wel spreekt hij zich uit over de pioniersarbeid die Robert Conquest verrichtte met zijn in 1968 verschenen The Great Terror, een eerste poging om de misdaden van Stalin te inventariseren. Op grond van nieuwe gegevens uit recent geopende archieven onderschrijft Werth de vooral door Amerikaanse 'revisionisten' aangevallen bewering van Conquest dat Stalin persoonlijk de regie voerde over de grote zuivering, tot het ondertekenen van executiebevelen toe.

De becijferingen van Conquest over het aantal slachtoffers dat in de jaren dertig is gevallen, worden door Werth gedeeltelijk gecorrigeerd. Zo heeft deze Franse auteur voor de jaren 1937 en 1938 een aantal van zevenhonderdduizend executies kunnen vaststellen. Vermoedelijk is de in The Great Terror gegeven schatting van drie miljoen dus te hoog geweest.

Rekenkunde

Is Le livre noir een oefening in een macaber soort rekenkunde? Stéphane Courtois, redacteur en inleider, ontkent dit ten stelligste. Vervolgens komt hij echter via een grove schatting tot de conclusie dat het communisme wereldwijd verantwoordelijk is geweest voor 85 (alleen al in China en de Sovjet-Unie samen) tot 100 miljoen dodelijke slachtoffers. De Sovjet-Unie was volgens hem goed voor twintig miljoen doden, hoewel Werth dit getal niet noemt. Dat is niet de enige en ook niet de belangrijkste reden dat Werth samen met de schrijver van de bijdrage over China, Jean-Louis Margolin, in Le Monde een felle aanval heeft gedaan op Courtois, die zijn inleiding kennelijk niet vooraf met deze twee co-auteurs heeft besproken.

Vooral de vergelijking die Courtois trekt tussen het communisme en het nationaal-socialisme, roept bij hen verzet op. Een studie van de overeenkomsten tussen deze bewegingen is, aldus Werth en Margolin, niet het onderwerp van Le livre noir. Het feit dat beide bewegingen, eenmaal aan de macht gekomen, verantwoordelijk waren voor tientallen miljoenen doden, dwingt volgens Courtois echter tot een 'vergelijkende reflectie'.

Gemeten naar de na 1945 in Neurenberg geformuleerde maatstaven heeft het communisme zich naar zijn mening schuldig gemaakt aan misdaden tegen de mensheid. Uit naam van een ideologisch systeem werd genocide gepleegd. Wil men deze misdaden historisch en moreel - uit eerbied voor de slachtoffers - beoordelen, dan is een vergelijking met het nationaal-socialisme volgens Courtois onontkoombaar. Er was een Hitleriaanse en een communistische variant van de totalitaire moordzucht. Het verdelgen van joodse levens in de gaskamers blijft ook volgens Courtois uniek in die zin dat het doden van joden voor de nazi's een doelstelling op zichzelf was, uitgevoerd als onderdeel van een industrieel proces. Maar de moord op een groot aantal Oekraïense boeren (koelakken) in de jaren dertig is zeker vergelijkbaar met andere onderdelen van de nazistische criminaliteit, zoals bijvoorbeeld het doodhongeren van joden in het getto van Warschau. De essentie van zowel communisme als nationaal-socialisme bestond uit de drang de ideologische vijand de vernietigen. In het eerste geval werd de klassenvijand, de bourgeosie, het recht op leven ontzegd, in het tweede geval richtte de agressie zich tegen de racistische categorie van de joodse Untermensch.

Ernst Nolte

Maar was het communisme dan niet, in tegenstellingt tot het nationaal-socialisme, een mooi ideaal dat helaas in de praktijk geperverteerd is geraakt? Courtois meent van niet en citeert de Italiaanse auteur Silone: net als de bomen herkent men revolutionaire idealen aan hun vruchten. De essentie van de marxistisch-leninistische ideologie was de dictatuur van een partij die de noodzakelijke ontwikkeling naar de klassenloze samenleving moest voltrekken. Die dictatuur nodigde uit tot een misbruik dat, afhankelijk van de omstandigheden en de persoonlijkheidsstructuur van de machthebbers, kon variëren van milde repressie tot terreur en massamoord.

Courtois vestigt ook nog de aandacht op het feit dat de misdaden van Lenin en Stalin vooraf gingen aan die van Hitler. 'Nolte laat groeten', schreef een Duitse recensent boven zijn bespreking van Le livre noir. Inderdaad suggereert Courtois dat de misdaden van het nationaal-socialisme zijn geïnspireerd door de criminele activiteiten van de Sovjetstaat, een stelling die dicht in de buurt komt van de 'kausaler Nexus' waarmee de historicus Ernst Nolte ruim tien jaar geleden het gros van zijn Duitse collega's tot razernij wist te brengen. Pikant is bovendien dat Le livre noir is opgedragen aan de nagedachtenis van de vorig jaar overleden François Furet, die voor zijn in Frankrijk (en ook in Nederland) veelgeprezen Le passé d'une illusion (1995) in Duitsland een gemengde ontvangst oogstte omdat hij in zijn boek zijn kritische waardering voor het werk van Nolte uitsprak.

Furet heeft kort voor zijn dood met Nolte een uitvoerige briefwisseling gevoerd, die in de laatste twee afleveringen van het driemaandelijkse tijdschrift Commentaire is afgedrukt. De Franse historicus bevestigt hierin zijn positieve oordeel over het 'eersterangs' werk van Nolte, die al in Das Faschismus in seiner Epoche (1963) wees op de belangrijke plaats die het anti-marxisme in de nazistische ideologie had. Der europäische Bürgerkrieg (1987) had vooral de verdienste dat het duidelijk maakte hoe links- en rechtsextremisme als concurrerende vijanden van de democratie een radicaliserende werking op elkaar hadden.

Angst voor bolsjewisme

Op even kernachtige als beleefde wijze geeft Furet in zijn brieven echter ook te kennen wat hem absoluut niet bevalt in dit laatste werk, zonder overigens te vervallen in de verkettering die de Historikerstreit zo onverkwikkelijk maakte. Hij meent dat de Duitse historicus de plank flink heeft misgeslagen door het anti-marxistische moment in het nationaal-socialisme dusdanig uit te vergroten dat het antisemitisme van Hitler wordt veronachtzaamd. 'Schokkend' noemt Furet de suggestie dat de joden zelf de toorn van de Führer over zich hebben afgeroepen doordat Weizmann, de voorzitter van het Joodse Wereldcongres, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de zijde van Groot-Brittannië koos. In zijn antwoorden laat Nolte een reactie op deze kritiek achterwege.

Furet onderschrijft Nolte's stelling dat de angst voor het bolsjewisme zeker van invloed is geweest op de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme, maar met zijn 'kausaler Nexus' gaat Nolte volgens de Franse historicus veel te ver. Chronologie en causaliteit worden hier op onverantwoorde wijze vermengd: het communisme greep eerder de macht, maar heeft daarmee fascisme en nationaal-socialisme nog niet veroorzaakt. Het is volgens Furet merkwaardig dat Nolte in zijn late werk niet voldoende onderkent wat in Der Faschismus in seiner Epoche juist werd beklemtoond, namelijk dat het antisemitisme al heel vroeg, zelfs al voor de Oktoberrevolutie en Eerste Wereldoorlog, tot de kern van Hitlers gedachtengoed behoorde.

Fascisme en vooral nationaal-socialisme worden onderschat, aldus Furet, indien deze bewegingen louter als reacties op het communisme worden afgeschilderd. Dit rechtsextremisme was niet reactief maar door en door revolutionair, voortgestuwd door een radicale doctrine waarin haat tegen democratie en marxisme, nationalisme, antisemitisme en elitetheorie al begin van deze eeuw een verbinding waren aangegaan. Hitler, aldus Furet, had de moord op de koelakken niet als voorbeeld nodig voor zijn plan de joden uit te moorden: zijn jodenhaat was al langdurig te heftig en te irrationeel om een concrete aanleiding nodig te hebben.

Wil Nolte, zo vraagt hij zich hardop af, de geschiedenis van zijn eigen land 'normaliseren' door de ideologische oorsprong van het 'volkse' antisemitisme in Duitsland te bagatelliseren en het nazisme te karakteriseren als een reactie op gebeurtenissen die van buiten kwamen? De Duitse historicus, die na zijn verguizing in eigen land alleen al de aandacht van Furet opvat als een welkom eerherstel, reageert timide en af en toe zelfs kruiperig op deze kritiek. Hij zwakt de these van de 'kausaler Nexus' af met de opmerking dat hij slechts een 'subtiel' verband heeft willen leggen tussen de wandaden van het nationaal-socialisme en die van het communisme. Opmerkelijk genoeg beroept hij zich in zijn verdediging vooral op het vijfendertig jaar geleden verschenen Der Faschismus in seiner Epoche. Het oude werk blijkt in de discussie met Furet geldiger dan het nieuwe.

Taboe

Uitvoerig beklaagt Nolte zich erover dat de meer dan ruime aandacht voor het nazistische verleden in Duitsland een taboe heeft gelegd op het bespreken van de misdaden die het communisme heeft aangericht. Furet meent in Frankrijk een vergelijkbare trend waar te nemen, zij het met andere oorzaken: in Frankrijk heeft het communisme lange tijd voor zuiver kunnen doorgaan door zich als anti-fascistische beweging te exponeren.

Courtois borduurt in zijn inleiding van Le livre noir voort op dit tekort aan belangstelling door zijn eigen boek te typeren als het eerste werk waarin de wandaden van het communisme als een centrale kwestie aan de orde worden gesteld. Hij meent zelfs dat 'het Westen' het op dit punt lange tijd af heeft laten weten, met als gevolg een enorme achterstand in aandacht voor de communistische variant van de twintigste-eeuwse politieke onderwereld.

Zijn klacht lijkt echter vooral het resultaat te zijn van een gebrek aan kennis, niet alleen van de Angelsaksische literatuur over dit onderwerp. Ook in zijn eigen land hebben de uitwassen van het communisme aandacht getrokken: in de jaren dertig al van Souvarine, in de jaren vijftig van Camus en Aron, daarna van bijvoorbeeld Revel etcetera. Waar het aan ontbroken heeft waren niet de serieuze studies, maar de belangstelling in radicaal-linkse kring voor deze werken.

Le livre noir is voor een deel geschreven door ex-communisten die sinds het einde van de Koude Oorlog bezig zijn met een inhaalmanoeuvre. Zij proberen de indruk te wekken dat de echte waarheid over dit onderwerp pas boven water kan worden gebracht door diegenen die de misdaden van het communisme lange tijd hebben verdoezeld dan wel toegejuicht. Die pretentie getuigt van een zelfoverschatting die ook tot uitdrukking komt in de betrekkelijk geringe nieuwswaarde van dit boek. Le livre noir is een interessant overzichtswerk dat de lezer echter nog meer leert over het politiek-intellectuele klimaat waarin een aantal van de auteurs zich tot voor kort bewogen dan over het bestudeerde onderwerp.