Zoek rust in Ierland

DUBLIN/AMSTERDAM/TEL AVIV. Op een maandagmorgen om elf uur vervoegde ik me bij de vreemdelingenpolitie in Dublin om een verblijfsvergunning aan te vragen. Die ochtend om half tien al had ik de vreemdelingenpolitie gebeld om te zeggen dat ik er aan kwam en toen hadden ze me gevraagd of ik werk zocht.

“Nee”, zei ik. “Ik zoek een verblijfsvergunning.” “En ik heb ook een woning in Dublin”, zei ik toen ik de vrouw aan de lijn hoorde zuchten. Ik had ook een woning in Dublin. Met twee bedden, een mixer en een magnetron nog wel. Al had ik ook deze keer mijn toevlucht genomen tot een hotel. Het dievenalarm had ik nu onder controle, maar de verwarming deed het nog altijd niet.

Er zaten ongeveer twintig mensen in de wachtkamer in Dublin. Niemand las, een vrouw had een walkman op, drie kinderen werden gevoed, twee met de fles, een met de borst. Twee mannen sliepen. Ik trok een nummertje. Het was 74. 42 was nu aan de beurt. De stemming was niet gespannen, eerder gelaten.

Iedereen had zijn papieren gereed. Ik zag blauwe formulieren, gele formulieren en ook enkele witte formulieren. “Waar zijn de formulieren?”, vroeg ik aan de man naast mij, die mij sterk deed denken aan de Pakistaan die bij mij om de hoek in New York 's ochtends koffie en bagels verkoopt. “Eerst praten', zei hij, “dan formulieren invullen.” Hij liet zien wat hij allemaal in zijn tas had zitten. “Je moet hier veel praten”, zei hij, “en veel formulieren invullen.”

Het drong tot me door dat het leven eigenlijk een aangelegenheid was waarvoor je altijd moest praten en formulieren invullen, tot je doodging dan konden je nabestaanden formulieren voor je invullen. Als je die had.

“Kom terug als je werk gevonden hebt”, riep de vrouw achter het loket, want ze had het al een paar keer gezegd. “Ik heb werk”, zei de man die al zeker drie kwartier voor dat loket stond. “Nee”, zei ze, “dat is geen werk.” De man zocht in zijn zakken, haalde er een roze formulier uit, streek het glad en schoof het onder het loket door. De vrouw bekeek het even. Iedereen wachtte gespannen af. “Nee”, zei ze, “dat is ook geen werk, dat is een ziekenhuisrekening.” “Dat begrijp ik niet”, zei de man, “ik werk in het ziekenhuis.”

Toen drukte de vrouw op een knop en nummer 43 was aan de beurt.

Twee vrouwen liepen tegelijkertijd naar het loket. Het leek wel een wedstrijd snelwandelen. Een had een hoofddoek om en de ander had zwaar geblondeerd haar. Maar de man stond er nog altijd met zijn roze formulier dat volgens de vreemdelingenpolitie een ziekenhuisrekening was.

“Ik kom even tussendoor”, zei de vrouw met geblondeerd haar. “Ik heb alleen een stempel nodig.” De andere vrouw zwaaide met haar nummer alsof het een lot was waarop een miljoen was gevallen. “We hebben allemaal alleen een stempel nodig”, zei een man met een baard die achterin bij de deur stond.

Een baby begon te krijsen. Dat werkte blijbaar aanstekelijk, want toen begon ook een andere baby te krijsen. Een oudere man staarde naar een viertal pasfoto's in zijn hand alsof hij degene op die foto nog nooit eerder had gezien.

“Komen we vandaag nog aan de beurt?”, vroeg ik aan mijn buurman. “Als god het wil”, zei hij. Dat was geen bemoedigend antwoord.

Een vrouw in rijlaarzen tuurde in een klein spiegeltje en snoot toen theatraal haar neus. Al op de middelbare school besefte ik dat zij die sexy zijn op deze wereld een voorsprong hebben op hen die niet sexy zijn. Al onze inspanningen zijn er eigenlijk op gericht om tenminste een heel klein beetje sexy te zijn, om zo goedkeuring te vinden in de ogen van anderen. Geen formele goedkeuring, zoals de vreemdelingenpolitie die uitdeelt in de vorm van een stempel. Maar een goedkeuring die al begint op het moment dat men opgemerkt wordt.

Hier bij de vreemdelingenpolitie was niemand sexy. Ook de vreemdelingenpolitie zelf niet. Het leek wel alsof de asylanten en de beambten aan wratten, haaruitval, schimmel en andere uitslag leden. Als het uiterlijk de spiegel is van de ziel, was er veel mis met onze ziel.

Zoals de meerderheid op deze wereld ben ik alleen sexy in het donker en op foto's die bewogen zijn. Al tien jaar geleden overwoog ik contactadvertenties op te hangen in de sociëteit voor slechtzienden, want mijn handen zijn zacht gebleven. Er zijn er die niet op de foto willen uit angst dat de ziel dan ontsnapt. Men zou het fototoestel moeten bewegen opdat de illusie niet ontsnapt.

Een beambte haalde de rol uit het apparaat. Er konden nu geen nummertjes meer worden getrokken. Een jongeman die een kwartier later binnenkwam zocht tevergeefs op de grond naar een nummer, maar er lagen geen nummers op de grond. “Heeft er iemand misschien twee?”, vroeg hij. “Ik heb er twee”, zei de man in een pij. “Maar die andere is voor mijn vriend.”

De jongen bleef staan. “Je hebt een nummer nodig”, legde een vrouw uit. Hij deed of hij het niet hoorde.

Om vier uur was ik aan de beurt. Ik schoof alles het loket door. Mijn paspoort, mijn pasfoto's (vier), mijn dagafschriften van mijn rekening in Ierland, mijn huurcontract, mijn boek, mijn bewijs dat ik verzekerd was, mijn Amerikaanse visum, nog een boek van mij, stukken uit een Engelse krant. “Dat is veel”, zei de beambte.

Toen begon ze op alles, zonder het eerst te lezen, een stempel te zetten. Op de voorkant en ook op de achterkant. Ook mijn boeken werden gestempeld. Ik was doessiernummer 298/12 legde ze me uit. Alles werd naar het ministerie van Justitie gestuurd en over twee maanden zou ik een aangetekende brief krijgen.

“Ik ga je nu een aantal vragen stellen”, zei ze. “Wat is je gewicht?”

“Ik spreek redelijk Engels”, zei ik, “dit soort vragen gaat ook zonder gebarentaal.”

Ik beantwoordde de voor de hand liggende vragen over de kleur van mijn ogen, mijn geslacht, mijn beroep.

“Wat kom je in Ierland doen?” vroeg ze.

“Ik kom hier belasting betalen, ik gun het de Ieren nu eenmaal”, was het eerlijke antwoord. Maar ik zei 'ik zoek rust'. En vroeg me af of ze nu op het formulier zou invullen 'zoek rust'. Achterin mijn paspoort schreef ze '298/12'.

De dag daarop vloog ik naar Nederland omdat ik een reclamespot op moest nemen voor de boekenweek.

Ik moest in een lift staan die van de dertigste verdieping naar beneden ging, en dan een postvakje openen en daar het boekenweekgeschenk uithalen. Ik had voorgesteld dat het postvakje niet open zou gaan, maar dat voorstel werd afgekeurd. Al mijn voorstellen voor de spot werden afgekeurd. Mijn eerste en beste voorstel was om mij te laten opdienen, gebakken en wel, zoals in de film The Cook, the Thief, His Wife and her Lover en dat allemaal mensen mij dan gaan eten. Ook leek het mij aardig dat ik een appel in mijn mond had en mijn nek versierd zou zijn met sinaasappelschillen en gebakken amandeltjes, zodat ik er echt lekker uit zou zien, zodat je echt zou denken 'ha, dat ziet er smakelijk uit'.

Maar men liet mij weten dat het wel reclame moest zijn. Is het geen reclame als ik er smakelijk bereid uitzie?

De regisseur noemde mij voortdurend Aron, maar ook dat vond ik geen probleem. Wel heb ik zeker vijfendertig keer die dag het postvakje geopend om er het boekenweekgeschenk uit te halen. En het zag er maar zelden spontaan uit. Wat mij het ergste doet vrezen voor mijn mogelijkheden om spontaan postvakjes te openen, waar dan boekenweekgeschenken inzitten die ik verrukt aan mijn borst druk. Dat laatste heb ik natuurlijk niet gedaan, ik heb er gewoon in gebladerd, hoewel er weinig in te bladeren viel, want alle bladzijden waren blanco, maar ja dat is film. Dat is reclame, illusie. Ik blijf de illusie dat ik in een duur restaurant gebraden ben een mooiere illusie vinden, maar deskundigen die de smaak van het volk hebben bestudeerd, verzekerden mij dat ik tot een zeer kleine minderheid behoorde, en dat ik daar vooral niet trots op moest zijn.

Inmiddels ben ik in Tel Aviv om Duitse en Israelische acteurs te ontmoeten voor wie ik een toneelstuk moet schrijven. Ik schrijf dit in het business center (want daar hebben ze een computer en een printer) van Hotel Metropolitan met CNN op de achtergrond en vier Belgische zakenmannen aan de tafel naast mij die een waterput proberen te verkopen aan twee Israelische zakenmannen.

Net hoorde ik een Israeli zeggen 'ja, jullie moeten winst maken voor de aandeelhouders, maar wij moeten winst maken voor onze vrouwen'. Daar is geen speld tussen te krijgen en de Belgen reageerden dan ook door met hun handen langdurig op tafel te slaan.