Verzen over het verleden; Gedichten van Louis Ferron en Adriaan van Dis

Adriaan van Dis: totok. Herik, 32 blz. ƒ 25,90 Louis Ferron: Liederen van een andere zee. Herik, 36 blz. ƒ 25,90 Voor poëzieliefhebbers is de Zwarte reeks van Herik in Landgraaf een klein Walhalla. Tien jaar lang al produceert de bibliofiel Jo Peters de ene prachtbundel na de andere. Elk deel van zijn poëziereeks heeft een eigen vormgeving en is toepasselijk geïllustreerd met tekeningen, grafiek of collages. Dat het liefdevol verzorgde uiterlijk niet alleen lezers maar ook dichters trekt, blijkt uit de indrukwekkende auteurslijst van uitgeverij Herik.

Als nummer 37 en 38 van de Zwarte reeks verschenen bundels van Adriaan van Dis en Louis Ferron. De gedichtencyclus totok is het poëziedebuut van Van Dis. De bundel omvat tien verzen, en elk daarvan is voorzien van een collage van Harald Vlugt. Met Liederen van een andere zee vervolgt Ferron een dichterschap dat, nog vóór hij romans schreef, in 1967 begon met Zeg nu zelf, is dit ontroerend? Zijn nieuwe bundel is verlucht met tekeningen van Armando.

Ferron is veruit de beste dichter van het tweetal. Zoals zijn proza verwijst zijn poëzie naar historische plaatsen en gebeurtenissen, maar hoe herkenbaar de beelden ook zijn, er blijft - zoals in elk goed gedicht - veel te raden over. Uta Beach bijvoorbeeld citeert fragmenten uit The longest day, maar de monkelende formulering van Ferron regisseert nieuwe filmbeelden. Dat-ie bleef hangen: licht fröbelwerk op zware wieken. Wat zo vaak de ronde doet: komt uit de lucht gefluisterd... dat je het niet hoort, al heb je duizend broden onder je arm en een lever, zo groot als de wereld. Dat je denkt: van verre kusten waait het me aan, het onzegbare, met een negerzwart hoofd. Dat je zegt: een gat in de verbeelding geslagen. En dat dat gat blijft hangen aan een torenpits. Kauwgum kauwend, vierentwintig uur lang. Zo dicht bij God, denk je met dat brood onder je arm en die lever die 'boem!' zegt en die neger die neerstort.

Ook in de negen andere verzen van zijn bundel hanteert Ferron deze quasi nonchalante toon. De panoramische aanpak en het melodrama van zijn romans ontbreken niet, maar zijn hier in verstillende regels gevangen. Het zijn misschien wel liederen, deze gedichten, maar er wordt niets losgezongen. Elk vers eindigt met berustende, relativerende regels, zoals het gedicht IJmuiden:

Nu komt de accordeon in het spel en de matroos achter het zeurende wijsje. Let wel: alles zal ongezegd blijven. Maar wat beklijft is een heimelijk dobberen tussen twee blakken. Geratel van lieren tot slot en het roestig gevloek van de schipper. Dit is dan van de liefde gezongen, een vergeten lied.

Appelleert Ferron aan ons collectieve geheugen, Van Dis graaft in zijn eigen herinneringen. In totok leidt dat tot soms mooie teksten over zijn jonggestorven vader en nu bejaarde moeder, maar zijn die teksten poëzie?

Adriaan van Dis doet in zijn gedichten weinig anders dan in zijn proza: hij vertelt een verhaal. Dat doet hij beeldend, met nu en dan wat ritmische herhaling, en in regels waarvan niet de zetter maar Van Dis zelf de lengte bepaalde. De poëtische bouwstenen zijn er dus, maar de meesterhand en het cement ontbreken. Slechts in de vormgeving onderscheiden deze teksten zich van verhalend proza. De inhoud suggereert ook dat het hier gaat om restverwerking - alsof opgewarmde prozakliekjes als dichtkunst worden opgediend.

Waar Van Dis een gooi doet naar echte lyriek, vervalt hij in sentimentele kitsch, zoals in tjampuan: ik zag de helling deze morgen een vlies van groen bewegend licht helder, rustig, en de wind verjoeg de tijd ik zag de eeuwigheid vanmorgen met de slaap nog in mijn ogen een grote waaier zuiverheid wenkend

Voor wie het niet kan schelen of je poëzie of proza leest, bevat totok niettemin enkele mooie passages. Dit geldt vooral voor de teksten waarin Van Dis zijn verhouding tot zijn moeder beschrijft. De openingsregels van empatie in malang lijken zelfs heuse poëzie te beloven: de grote man die op reis zijn sproeten ziet groeien komt in een onbekend land steeds dichter bij huis dit is dus haar streek haar stad, haar straat in dit huis werd ze bemind hij belt aan: 'mag ik het huis van mijn moeder zien? ik wil haar geur opsnuiven kom, laat me mijn longen vol moeder vullen'

Tot dan is er een spanningsboog, die ontroeren kan. Maar onmiddellijk hierna verslapt de tekst in regels die, ook als ze onderdeel van een prozatekst waren, een strenge redactie behoeven. De prachtige vormgeving ten spijt is totok een blindganger in een poëziereeks die doorgaans uitmunt in kwaliteit.