Veertien films dingen mee naar de Tiger Awards

ROTTERDAM, 30 JAN. Terwijl Felice Laudadio het Filmfestival van Venetië in omvang bijna zal halveren, laat Simon Field zijn festival nog steeds groeien. In Rotterdam is dit jaar alleen al een recordaantal van 220 lange speelfilms en documentaires te zien. Maar slechts veertien van die films dingen mee naar een van de drie VPRO Tiger Awards, een programmaonderdeel dat sinds de instelling in 1995 het festival ondanks de groei overzichtelijk houdt.

Deze veertien films die meedingen naar een van de drie prijzen van 10.000 dollar zijn waarschijnlijk alle echte 'Rotterdamfilms', eerste of tweede films van jonge regisseurs die zich met een bescheiden budget buiten de gebaande paden moeten wagen. Het mengen van verschillende genres is voor een Rotterdamfilm een pre. Men houdt op het festival bijvoorbeeld van het samenkomen van feit en fictie, en van geweldsfilms die tegen geweldsfilms zijn.

Het gisteren vertoonde Siebtelbauern van de Oostenrijkse regisseur Stefan Ruzowitzky, een van de 22 wereldpremières op het festival, wordt aangeprezen als een 'Alpenwestern' of een 'omgekeerde Heimatfilm'. Zeven knechten erven ergens in het begin van deze eeuw een boerderij en doorbreken daarmee de van God aan de volgevreten boeren gegeven orde. In een rouwdouwig mengsel van arbeidersrealisme en boerenkitsch vertelt Ruzowitzky een sprookje dat niet duren mag. Maar voor het eindigt hebben de koeien tijdens het melken wel Caruso uit een oude koffergrammofoon 'La donna e mobile' horen zingen.

Van Oostenrijk kun je in Rotterdam snel overspringen naar Cuba, India, of Vietnam - het is een van de verdiensten van dit filmfestival dat je er dagenlang niet langs de Verenigde Staten hoeft. Who the hell is Juliette? van Carlos Marcovich is een Mexicaanse film die zich bekommert om het lot van een fier Cubaans hoertje en een melancholiek Mexicaans fotomodel. Marcovich speelt met de grenzen van speelfilm en documentaire, een spel dat ditmaal wat gratuit overkomt.

Dance of the wind van de Indiase regisseur Rajan Khosa is gelukt geraffineerder. De zoektocht van een zangeres van klassieke Hindi-muziek naar de leraar van haar meer getalenteerde moeder lijkt steeds mystieke verschijningen op te roepen, maar binnen het verhaal blijken ze uiteindelijk van vlees en bloed. Een echte droom zie je wel in The Long Journey, een zorgvuldig gefilmde Vietnamese roadmovie van Le Hoang over twee Vietcongsoldaten die in 1981 de beenderen van een gestorven kameraad per trein, bus en brommer naar zijn familie in het noorden terugbrengen. Een van hen droomt dat het al zo ver is; een droom die je wilt delen; maar door gaat de reis door een steeds leger wordend landschap in een bezonnen film die niet wil berusten.

Het moet gek lopen als de jury volgende week zaterdag geen prijs geeft aan een van deze laatste drie, mede door het Hubert Bals Fonds gefinancierde films. Het fonds, genoemd naar de oprichter van het Rotterdamse festival, steunt films uit ontwikkelingslanden en bestaat nu tien jaar. Met terechte trots vermeldt de catalogus gesteunde successen als Halfaouine van Ferid Boughedir en East Palace, West Palace van Zhang Yuan, die al in Cannes in première ging. Het budget van het fonds is 1,2 miljoen gulden, waaraan het ministerie van ontwikkelingssamenwerking het meeste bijdraagt. Minister Pronk heeft toegezegd de steun met een nog onbekend maar 'substantieel' bedrag te verhogen.