Terugzien op het roekeloze engagement; Ernst Jünger (1895)

Ernst Jünger: Siebzig verweht V. Klett-Cotta, 204 blz. ƒ 48,30 Jan Ipema: In dienst van Leviathan. Ernst Jünger - tijd en werk 1895-1933. Aspekt, 220 blz. ƒ 42,90 Ernst Jünger/Rudolf Schlichter: Briefe 1935-1955. Herausgegeben, kommentiert und mit einem Nachwort von Dirk Heisserer, Klett-Cotta. 605 blz. ƒ 66,70 Honderddrie wordt Ernst Jünger op 29 maart en publiceren doet hij nog steeds.

Eind vorig jaar verscheen alweer het vijfde deel van zijn dagboek Siebzig verweht, dat de jaren 1991-1995 bestrijkt. Het is dunner dan zijn voorgangers, maar niet minder de moeite waard. Jünger vult zijn dagen met lezen, dromen, wandelen in de tuin, een enkel reisje, en het bijhouden van de correspondentie. Vreemde post ontvangt hij soms, met als uitersten: een anonieme brief waarin hij voor sadist wordt uitgemaakt, en een brief van een alleenstaand heer die hem zijn hele vermogen zou willen nalaten.

De meeste activiteit blijkt hij in zijn dromen te ontplooien. Dode vrienden en kennissen komen hem opzoeken in de slaap, maar ook ontmoet hij een vertegenwoordiger in folterinstrumenten, die op de vraag naar zijn cliëntèle antwoordt: 'Vroeger rechters, nu wellustelingen'. De politieke actualiteit dringt nog maar beperkt tot hem door - alleen de Golfoorlog krijgt in 1991 een korte vermelding. Jüngers universum draait voornamelijk om hemzelf, maar gezien zijn leeftijd en zijn vroegere activiteiten is de hele twintigste eeuw daarbij inbegrepen.

Via zijn herinneringen en via historische studies duikt hij in het verleden en soms zoekt hij het ter plekke op. Zo woont hij in Frankrijk de opening bij van een museum, gewijd aan de Eerste Wereldoorlog, en daar antwoordt hij op de vraag van een journalist naar zijn meest verschrikkelijke ervaring in die oorlog: 'Dat we hem verloren hebben'. De ontdekking dat Carl Schmitt in diens postuum gepubliceerde Glossarium (1994) zoveel nare dingen over hem blijkt te hebben genoteerd, vindt hij 'ergerlijk', maar: 'voor hem nog meer dan voor mij'. Schmitt blijft in zijn ogen 'een goede en ondoorgrondelijke vriend'.

Onthechtheid

De reactie tekent Jüngers milde onthechtheid. Hij heeft er geen behoefte meer aan zijn kijk op mensen en dingen ingrijpend te wijzigen. De eenentwintigste eeuw, lezen we bij herhaling, zal 'de eeuw van de Titanen' worden, zijn aan de mythologie ontleende aanduiding voor het nieuwe mensdom dat 'de techniek als een uniform' draagt. En hij houdt vol dat de mens, ondanks diens chronische zelfoverschatting, 'slechts kan doen wat de aarde wil'.

Opvallend weinig maakt hij zich druk over zijn ouderdom, waarvoor het recept al in een oude brief uit 1940 blijkt te staan: 'veel slapen, ook 's winters niet op fruit en groente besparen en vooral de artsen mijden'. Wanneer hij in de krant een advertentie leest van een vrouw die bij haar dertigste verjaardag om aansluiting verzoekt bij een 'aktive Seniorengruppe', vraagt hij zich af: 'Zal ik mij melden?'

Alleen op zijn verjaardagen is de leeftijd onontkoombaar. Bij zijn honderdste in 1995 houdt hij een korte toespraak, waarin hij zich vooral 'een lezer' noemt, iemand die de wereld eerst uit de boeken heeft leren kennen en daarna door de realiteit is teleurgesteld. Dat geldt ook voor de oorlog. 'Is een Ilias mogelijk met buskruit', vroeg Karl Marx zich ooit af - volgens Jünger vat dit het probleem van zijn leven samen.

De onthechtheid blijkt opnieuw aan het eind van deze toespraak, want Jünger bedankt niet alleen zijn vrienden maar ook zijn tegenstanders: Beiden behoren tot het karma - 'zonder hen geen profiel'. Toch klinkt er ook ergernis tussen de regels, wanneer hij voor de zoveelste keer wordt aangevallen wegens uitlatingen die hij meer dan zestig jaar geleden heeft gedaan. Behalve zijn boeken over de Eerste Wereldoorlog met hun koele registraties en strijdlustig enthousiasme, zijn het vooral zijn vele extreem-nationalistische artikelen uit de jaren twintig en dertig die men hem kwalijk neemt. Jünger wordt er nu liever niet meer aan herinnerd (en heeft deze teksten dan ook uit zijn verzamelde werk weggelaten). 'Wat ik daar allemaal heb losgelaten, dat weet ik niet meer', zei hij in 1989 tijdens een interview.

Jüngers tegenstanders zijn niettemin keer op keer bereid zijn geheugen op te frissen. En ook sommige van zijn bewonderaars betreuren het dat Jünger de kennis van zijn politieke verleden zozeer heeft bemoeilijkt. Een van hen is de Nederlandse germanist Jan Ipema, die zojuist het eerste deel van zijn Jünger-biografie (In dienst van Leviathan) heeft gepubliceerd, de eerste Nederlandstalige studie over de schrijver van In Stahlgewittern en Auf den Marmorklippen in boekvorm. Een echte biografie is het nauwelijks geworden, en dat kan ook niet aangezien Jünger weigert zijn privé-archief open te stellen. Ipema heeft zich moeten beperken tot wat je een intellectuele biografie zou kunnen noemen, met in het middelpunt Jüngers betrokkenheid bij de zogeheten 'Konservative Revolution'.

Betrouwbare gids

Hoewel in Ipema's boek rijkelijk is geput uit Jüngers zo lastig toegankelijke artikelen, bevat het voor de kenners niet veel nieuws. Maar wie zich nog niet eerder heeft gewaagd in het schemergebied van de 'conservatieve revolutie' vindt in Ipema een betrouwbare gids, die naast Jünger ook tal van diens geestverwanten (Spengler, Moeller van den Bruck, Schmitt, Von Salomon) de revue laat passeren. Aantrekkelijk is dat de biograaf zich niet als een hagiograaf heeft opgesteld en evenmin als een inquisiteur, de twee meest gebruikelijke houdingen tegenover deze omstreden auteur. Vanuit een onmiskenbare fascinatie probeert hij daarentegen Jünger en de zijnen zo goed mogelijk te begrijpen.

Dat rechtvaardigt de ruime aandacht die wordt geschonken aan de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen het verslagen Duitsland werd geteisterd door linkse en rechtse revolutiepogingen, economische crises en geallieerde bezettingen. Bij velen die de nederlaag niet konden verkroppen, leidde dat tot een vaak gewelddadig verzet tegen de Republiek van Weimar. Typerend voor Jünger was dat hij, anders dan de meeste nationalisten, geen geloof hechtte aan de 'dolkstoot-legende'; Duitsland had de oorlog niet verloren door links verraad, maar omdat het onvoldoende in staat was gebleken tot een 'totale mobilisatie', zoals te lezen is in een berucht gelijknamig essay uit 1930.

Jüngers streven was erop gericht het naoorlogse Duitsland alsnog voor zo'n mobilisatie klaar te stomen. Om die reden kon hij de nederlaag zelf van ondergeschikt belang achten en achteraf zelfs als een voordeel zien. 'Wij moesten de oorlog verliezen om de natie te winnen', schreef zijn kompaan Franz Schauwecker in Aufbruch der Nation (1929). Uit de frontervaring zou een nieuw, fanatiek en irrationeel nationalisme ontstaan, gedragen door de oudstrijders die Jünger in zijn boeken en artikelen aanprees als de voorlopers van de nieuwe Duitse mens.

De grote vraag die na 1945 telkens is gesteld, luidt natuurlijk: in hoeverre heeft Jünger met deze nationalistische propaganda de weg bereid voor Hitler en diens Derde Rijk? Ipema zegt het beantwoorden van deze vraag 'uitdrukkelijk' uit de weg te gaan, al deelt hij Jüngers latere overtuiging 'slechts een seismograaf' te zijn geweest niet. Dat laatste is gezien de inhoud van Jüngers werk ook moeilijk vol te houden. Ipema relativeert het belang van de schrijvers van de conservatieve revolutie door op hun geringe succes bij het grote publiek te wijzen, hoewel dat nu juist voor Jünger (wiens oorlogsboeken hoge oplagen hebben gehaald) niet helemaal opgaat. Ook over Jüngers aanvankelijke sympathie voor Hitler kan geen twijfel bestaan, zoals Ipema terecht betoogt, net zo min als over zijn latere afkeer, die (vanaf 1930) gepaard ging met een toenemende distantie tot elke vorm van politiek activisme.

Een andere en wat mij betreft belangrijker vraag is of Jüngers visie in een minder eenduidig activistisch (en nationalistisch) boek als Der Arbeiter (1932) wel voldoende recht wordt gedaan door vooral op een eventuele connectie met het nationaal-socialisme en met de concrete politiek te letten. In dat geval heeft men immers alleen oog voor het historische belang van de tekst, terwijl Der Arbeiter toch een beduidend weidsere inzet kent.

In Siebzig verweht spreekt Jünger zelf van een 'neoplatoonse' poging om de techniek te begrijpen als een eigentijdse vorm van 'titanisme'. Wat hij in Der Arbeiter heeft beschreven is in 1945 niet geëindigd; zijn visioen van een revolutie 'sans phrase' (waarbij de vrije burger ongemerkt verandert in een dienstbare arbeider) kan daardoor een onbehaaglijke actualiteitswaarde krijgen, althans voor wie zich niet heeft vastgebeten in een dogmatisch geloof in rede en Verlichting. Hoewel Jünger niet het alleenrecht op de waarheid bezit, daagt zijn werk uit tot een andere blik op de moderne wereld, die misschien méér te zien geeft dan wat men graag zou willen zien.

Op Jüngers doen en laten tijdens het Derde Rijk gaat Ipema nog niet in, maar uit de onlangs gepubliceerde Briefwechsel met de tekenaar, schilder en schrijver Rudolf Schlichter (1890-1955) krijgt men er alvast een indruk van. De correspondentie, waaraan ook beider echtgenotes bijdragen, geeft een intiem beeld van de 'innere Emigration' die Jünger na 1933 verkoos, en toont het paradoxale van de situatie waarin hij en zijn geestverwanten - als anti-democraten èn anti-nationaalsocialisten - terecht waren gekomen.

Ontuchtig karakter

Schlichter, ooit actief in de Berlijnse Dada-beweging en bevriend met linkse kunstenaars als Georg Grosz en Bertolt Brecht, begint de correspondentie in 1935, wanneer hem de toegang tot de Reichschrifttumskammer dreigt te worden geweigerd wegens het 'ontuchtige' karakter van zijn eerder gepubliceerde autobiografische werk. Jünger (met wie hij omstreeks 1929 bevriend is geraakt) verzoekt hij om een 'Gutachten' teneinde de nieuwe machthebbers van zijn talenten te overtuigen. Een 'absurde' zaak, oordeelt Jünger, als in de omgekeerde wereld, want eigenlijk zouden deze lieden òns moeten bewijzen, 'dat zij überhaupt mensen zijn'. In de verdere correspondentie wemelt het van de uitbarstingen, vooral afkomstig van de emotionele Schlichter, tegen de domheid van de 'gemobiliseerde kleinburger' en tegen de 'Zwangsgesellschaft' die hem met vaak achterbakse vijandigheid bejegent.

Het is duidelijk hoe deze teleurgestelde nationalisten zichzelf zagen: als een kleine elitaire gemeenschap van verheven estheten, omringd door een grauwe zee van mediocriteit. Alleen bij elkaar vinden zij steun, als de laatsten die nog standhouden op de 'verlorene Posten'. Hoe dat eruit kan zien, demonstreert een schilderij dat Schlichter in 1937 van Jünger heeft gemaakt. Met ontbloot bovenlichaam kijkt de schrijver in een onheilspellend rotslandschap voor zich uit, de blik strak gericht op wat buiten het beeld valt.

Achteraf vond Jünger deze pose kennelijk iets te vrijmoedig. In een brief uit 1940 vraagt hij of zijn vriend niet bereid is 'het naakte bovenlichaam te bedekken met een manteltje', voordat het schilderij aan de openbaarheid wordt prijsgegeven. Een opmerkelijk verzoek, waaruit je zou kunnen afleiden dat Jünger van zijn roekeloze engagement in de jaren twintig tenminste één ding had geleerd, en wel dat het niet verstandig is om je onnodig bloot te geven. Want daarvan profiteren, zoals hij in de rest van zijn lange leven heeft mogen ondervinden, bijna altijd alleen je vijanden.