Speciale aanklager in VS nu een justitiële libero

Het instituut 'speciale aanklager' in de VS is een “permanente inquisitie” geworden, luidt de kritiek, als gevolg van een structureel gebrek in de wet.

AMSTERDAM, 30 JAN. Een gewoon justitieel onderzoek begint met een gepleegd delict. Vervolgens wordt dan uitgezocht wie daar bij hoort. Maar speciale aanklagers in de Verenigde Staten worden aangesteld met een bepaalde persoon als onderzoeksobject. Ze werken dan terug om vast te stellen welke overtredingen de betrokkene allemaal zou kunnen hebben begaan, zo mopperde de conservatieve rechter Anthony Scalia als eenzame dissenter in het federale Hooggerechtshof in 1998. Dit hof verklaarde toen met alleen zijn stem tegen dat de wet op de onafhankelijke raadsman niet in strijd is met de grondwet.

Scalia had een punt, zoals president Clinton nu ervaart. De speciale aanklager Kenneth Starr, die reeds jarenlang het Whitewaterschandaal in onderzoek heeft, zit de president nu op zijn huid wegens een eventuele affaire met een stagiaire op het Witte Huis. Het is een “permanente inquisitie” geworden als gevolg van een structureel gebrek in de wet, luidt de kritiek. Deze creëerde een aanklager als een soort justitiële libero, met een onbegrensd mandaat en zonder beperkingen in tijd, geld of politieke verantwoordelijkheid.

Weinig voorstanders van de wet zijn er werkelijk op gesteld. “Slechts één zaak te hebben is gevaarlijk”, noteerde Joseph diGenova die een drie jaar durend onderzoek leidde naar de beschuldiging dat het Witte Huis onder president Bush bij het ministerie van Buitenlandse Zaken had gesnuffeld naar informatie om de Democratische presidentskandidaat Bill Clinton in een kwaad daglicht te stellen. DiGenova: “wanneer een aanklager een hele serie zaken heeft lopen is er een Darwiniaanse selectie”. Met andere woorden, een aanklager laat zwakkere zaken vallen ten behoeve van sterkere. Door de eenzijdige aard van de wet op de onafhankelijke raadsman is hij gevrijwaard van dergelijke overwegingen.

Whitewater had betrekking op een mislukte investering van toen nog gouverneur Clinton van Arkansas en zijn vrouw. Deze oude kwestie kreeg een band met zijn presidentschap onder meer door de zelfmoord van zijn naaste medewerker Vincent Foster. Dit laatste spoor lijkt inmiddels te zijn doodgelopen.

Een aantal gevallen van financiële onbehoorlijkheden in Arkansas in de jaren tachtig zijn bovendien verjaard. Toch ging Starr maar door. Vorige zomer kwam de Washington Post al met een bericht dat de speciale aanklager zich richtte op het seksleven van Clinton. Zo zouden politiemensen uit Arkansas zijn ondervraagd over wat zij wisten van eventuele uitstapjes van hun voormalige gouverneur.

De speciale aanklager gaf een verklaring uit om dit bericht tegen te spreken. Maar hij merkte wél op dat zijn werk zich uitstrekte tot “het opsporen en identifceren van getuigen met wie de onderzoeksobjecten zijn omgegaan en die dientengevolge beschikken over relevante feitelijke informatie”. Formeel is het dan ook niet zozeer het seksschandaal zelf dat nu voorwerp van onderzoek uitmaakt, maar het waarheidsgehalte van de verklaringen van de president en zijn respect voor de rechtsgang.

Clintons relatie met de stagiaire als zodanig komt alleen in aanmerking voorzover er sprake zou zijn geweest van seksuele intimidatie, maar het voornaamste accent ligt op meineed of vormen van obstructie van de justitie.

Toch is het uitdijende onderzoek van Starr niet zonder meer in overeenstemming te brengen met de uitspraak van het Hooggerechtshof in 1988. Opperrechter Rehnquist legde er toen namens de meerderheid juist de nadruk op de beperkingen van het ambt. Het is dan ook opmerkelijk dat minister van Justitie Janet Reno Starr uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor uitbreiding van zijn onderzoek.

De wet op de overheidsethiek is enkele malen met moeite verlengd. De directe aanleiding voor zijn ontstaan is echter nog steeds een overtuigend argument voor zijn bestaan. Die aanleiding was de zogeheten Saturday Night Massacre in oktober 1973 tijdens het Watergate-schandaal. President Nixon had een buitenstaander, professor Archibald Cox van de Harvard Universiteit, aangetrokken om het onderzoek te leiden naar een campagne van vuile trucjes tegen politieke tegenstanders waarvan het spoor tot in het Witte Huis leidde.

Maar op de bewuste zaterdagavond gaf Nixon zijn minister van Justitie opdracht Cox te ontslaan omdat deze bleef vasthouden aan uitlevering van Nixons befaamde geluidsbanden. Zowel de minister als zijn plaatsvervanger weigerden de opdracht uit te voeren en traden af, tot Sollicitor General Robert Bork als derde in de rij tenslotte gehoor gaf aan het presidentiële bevel. Om herhaling te voorkomen werd in 1978 de speciale wet aangenomen.

Cox was zo onhandig geweest leden van de familie-Kennedy, de politieke nemesis van Nixon, uit te nodigen bij het afleggen van de ambtseed. Maar het optreden van Cox als speciale aanklager rechtvaardigde in geen enkel opzicht wantrouwen, zo gaf Robert Bork bij al zijn kritiek op de speciale wet in 1993 ruiterlijk toe.

Op een exclusief seminar van de Amerikaanse balie in 1996 betoogde grand old man Cox dat een speciale aanklager onmisbaar blijft. Hij vond wel dat de wet moet worden aangepast. Zo zou hij dienen te worden beperkt tot direct ambtsmisbruik. Speciale aanklagers zouden volgens Cox ook moeten worden verplicht hun taak full-time dienen te vervullen. Dat was een niet mis te verstane verwijzing naar Starr - “the prosecutor who can't say no”, zoals de New York Times Magazine het in een profiel uitdrukte. Starr combineert zijn functie met een fikse rechtspraktijk en een hectische agenda van publieke optredens.