Oliebranche boos over onderzoek prijsafspraken

Het strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke afspraken tussen olieconcerns over de brandstofprijzen heeft de maatschappijen geschokt.

ROTTERDAM, 30 JAN. “Een klap in je gezicht”, reageert een medewerker van een van de grote olieconcerns die door de Economische Controledienst en het Openbaar Ministerie in een strafrechtelijk onderzoek worden doorgelicht op mogelijke prijsafspraken.

Na alle informatie over de prijsvorming in vergelijking met de buurlanden, die ze hebben overgelegd, begrijpen de oliemaatschappijen niet hoe er bij de ECD “een vermoeden van overtreding van de mededingingsregels” is ontstaan.

In de oliebranche wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van politieke motieven omdat de accijnzen door de paarse coalitie fors zijn verhoogd. “Misschien proberen ze de zwarte Piet voor het prijsverschil nu bij ons neer te leggen”, aldus een insider.

Nederlandse automobilisten betaalden vorig jaar volgens het onafhankelijke bureau Oil Price Assessment Ltd. in Londen de hoogste prijs voor Euro loodvrij, de meest gangbare benzinesoort, in vergelijking met België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en Groot-Brittannië. Dat komt vooral door de hoge belastingen (bijna 74 procent) die alleen door Frankrijk wordt overtroffen. Ook de marge voor wederverkopers is hoger. Dat zit hem volgens marktleider Shell in het grotere aantal stations en daardoor de gemiddeld veel lagere omzet per pomp in Nederland. Wat ook een rol speelt, is een heftige prijsoorlog in Engeland, de combinatie van benzineverkoop en supermarkten (stuntprijzen) in Engeland en Frankrijk en de omzet in andere producten in de 'shops' bij tankstations waarvoor in Nederland een strenge limiet geldt. De ECD zal vooral kijken naar de marge voor de maatschappijen en die voor de wederverkopers. Volgens advocate mevrouw L.M.M. Brokx, mededingingsexpert van het kantoor Caron & Stevens/Baker & McKenzie in Amsterdam, kan het in het strafrechtelijk onderzoek vooral om “horizontale afspraken” gaan over de prijsvorming, of “op elkaar afgestemde gedragingen” die leiden tot dezelfde of vrijwel dezelfde prijzen. Als het onderzoek zich richt op “gedragingen in de hele bedrijfskolom”, zoals Economische Zaken gisteren uitlegde, dan wordt niet alleen de rol van de producenten en groothandels (oliemaatschappijen), maar ook van filialen nagegaan. “Het kan zijn dat in de relatie tussen oliemaatschappijen en pompstations een systeem wordt gevolgd waarbij bijvoorbeeld wordt voldaan aan de Europese franchise-verordening of de exclusieve afnameverordening voor tankstations. In verticaal verband (tussen leverancier en tankstations) is het doorgeven van adviesprijzen in beginsel toegestaan, maar als er sprake zou zijn van adviesprijzen in horizontaal verband met concurrenten (tussen leveranciers of distributeurs), al is het informeel, dan is dat mogelijk zeer verdacht”, aldus mevrouw Brokx. “Dat zijn op elkaar afgestemde gedragingen die mogelijk een kartel worden. Ze zouden kunnen leiden tot prijzen die heel dichtbij elkaar liggen. Maar zoiets is zeer moeilijk aan te tonen.” Dergelijke gedragingen zijn volgens Brokxs bijvoorbeeld na te gaan door inkoop- en verkoopprijzen die verschillende partijen op bepaalde momenten betalen, te vergelijken. “Bij een parallel marktgedrag kan mogelijk geconstateerd worden dat prijsschommelingen in gelijke mate worden doorgegeven in de verkoopprijzen.”