Knappe stukjes van 200 woorden

Jan Vrijman: Journaille. Een keuze uit de Parool-columns door Tom Rooduijn. Inleiding Felix Rottenberg.

De Bezige Bij, 277 blz. ƒ 25,- Het lijkt vreemd, maar voor de meeste journalisten is korte stukken schrijven moeilijker dan lange. Vooral wanneer er opinies moeten worden geformuleerd, of pakkende beschrijvingen ten beste moeten worden gegeven, heeft menigeen moeite met de door de bureauredactie opgegeven, steeds als te krap ervaren ruimte. Het valt niet mee om in kort bestek origineel te zijn. Wie kort moet schrijven, ervaart vaak als een probleem dat de Nederlandse grammatica zoveel woorden nodig heeft. Het Engels lijkt veel bondiger en expressiever.

Maar het kan wel. Als bewijs kunnen de columns gelden die Jan Vrijman tussen 1985 en 1997 schreef voor Het Parool. Meer dan 3500 waren het er in totaal, afgedrukt op de voorpagina onder het pseudoniem Journaille. Enkele honderden zijn nu verschenen in een bloemlezing, waarvan de samenstelling op zich al een titanenarbeid geweest moet zijn.

Die stukjes zijn 200 à 250 woorden lang, wat bij elke denkbare maatstaf heel kort mag heten. Weliswaar schreef Koos van Zomeren vroeger in deze krant stukjes op de voorpagina die nog korter waren, maar die hadden altijd hetzelfde onderwerp - natuurbeschouwing - zodat niet elk stukje een eigen exposé behoefde. Vrijman daarentegen behandelt in elke bijdrage weer een geheel nieuw onderwerp uit maatschappij, politiek of zijn eigen leven en moet dus dagelijks weer iets nieuws uitleggen.

Vrijman (zijn naam bij de burgerlijke stand was Jan Hulsebos) had ook veel werk aan die stukjes, onthult Felix Rottenberg in zijn voorwoord. Hij begon er 's ochtends om elf uur aan te denken, en pas laat in de avond kwam het moment waarop hij het resultaat naar de redactie faxte. Uit Rottenbergs beschrijving krijg je de indruk dat de schrijver in de wieg gelegd was voor dit werk. Hij was een verzamelaar van krantenknipsels, leefde bij de actualiteit van de dag en maakte anderen graag deelgenoot van wat hij zelf belangrijk vond.

Ik moet bekennen Journaille maar zelden in Het Parool te hebben gelezen. Ik ben niet zo'n lezer van columns: te veel persoonlijk geneuzel en te weinig informatie. Maar na lezing van dit boek geef ik in Vrijmans geval mijn ongelijk toe. Want veel van de columns zijn opvallend mooi. Vrijman was een persoonlijkheid die zichzelf al schrijvend over het voetlicht weet te brengen: een recalcitrante, linksige man van de oude stempel, een beetje zoals je je de oudere Parool-lezer voorstelt.

Dat hij erin slaagt om, stukje bij stukje, een min of meer coherent beeld van zichzelf te schetsen, hangt wellicht samen met het feit dat hij voor zijn overlijden al meer dan tien jaar kanker had en dus wist dat elk stukje een bijdrage zou vormen aan de balans van zijn leven. Hij is daarbij vaak origineel: Vrijman is bijvoorbeeld een van de zeer weinigen in Nederland die op grond van eigen waarneming bewondering koesterde voor de Nederlandse Stalin, Paul de Groot.

Hij kon ook, zoals Rottenberg opmerkt, een demagoog zijn. Dat het onzalige bureaucratenplan om Amsterdam in kleinere gemeenten op te hakken in een referendum werd afgestraft, is mede aan Vrijmans ageren daartegen te danken - niet alleen in zijn krant maar ook op de lokale televisie en op protestvergaderingen. En de volgende dag schreef hij dan weer, alsof er niets gebeurd was, over een jeugdherinnering of over de indruk die een mooi meisje in een café op hem gemaakt had. Er lijkt geen onderwerp, of Vrijman kon er een betekenis aan te geven. Misschien de beroemdste Journaille was de laatste, van 10 mei 1997, waarin Vrijman laat weten dat 'de geest nog wel wil, maar het lichaam weigert' en dat dit dus de laatste column is, 'denk ik'. Weinige weken later overleed hij.

Vrijman is een van de weinige Nederlandse journalisten die in de krant verslag heeft gedaan van zijn eigen overlijden. En ook dat in 200 à 250 woorden.