Kleine vrienden in het grote oerwoud

Paul Julien: Pygmeeën. Uitgeverij Atlas (1953), 292 blz. ƒ 69,90

Geen Nederlandse antropoloog heeft zoveel wetenschappelijke expedities op zijn naam staan als de in 1901 geboren dr. Paul Julien. Tussen 1926 en 1962 maakte hij maar liefst 39 reizen naar de Derde Wereld, waaronder 28 naar de equatoriale bosgordel van Afrika. Daarnaast bracht hij, vanaf 1965, nog bezoeken aan een aantal kleine, geïsoleerd levende volken als de Aeta op de Filippijnen en de Ainoe's op het Japanse Hokkaido, terwijl hij met zijn vrouw ook nog eens acht keer met de auto naar India trok. Pas in 1990, met een laatste reis naar Maleisië en Thailand, kwam er een eind aan het ongeëvenaarde aantal kilometers dat Julien in zijn lange leven aflegde.

Ook op een ander gebied stelt Julien zijn vakgenoten in de schaduw: de grote mate waarin hij heeft bijgedragen aan de popularisering van de antropologie. Vanaf 1932 hield hij, voor de KRO-radio, een reeks druk beluisterde lezingen die het verbaasde Nederlandse volk voor het eerst het besef bijbrachten dat er meer op de wereld te vinden was dan polders en windmolens. De lezingen werden later gebundeld onder de titel Kampvuren langs de evenaar, een boek dat in 1993 zijn twintigste druk beleefde, met een totale oplage van meer dan 100.000.

Doel van de vele Afrikaanse expedities - die per karavaan werden afgelegd, soms met wel tachtig man diep in het oerwoud - was het verrichten van bloedgroepenonderzoek om de verwantschap vast te stellen tussen verschillende groepen pygmeeën, en aldus hun plaats in de menselijke evolutie te bepalen. Deze onderzoeksmethode van de fysische antropologie bleek uiteindelijk tamelijk vruchteloos en allengs verschoof de aandacht van Julien dan ook naar een andere tak van de antropologie: de culturele. Het is die laatste tak die ruim vertegenwoord is in Pygmeeën, een boek uit 1953 waarvan onlangs een herdruk verscheen. Het is een prachtig boek, niet in het minst omdat het zo voortreffelijk en beeldend is geschreven:'Vanuit mijn kampement zie ik hoe bij het opgaan van de zon een glorieus landschap zich voor mij uitstrekt. In de diepte ligt het Haussa-dorp Lolodorf. Boven alles uit rijst de sobere, statige moskee, waarvan het strooien dak, nat van de dauw, glanst in het vroege morgenlicht. Daarvoor liggen de stroomversnellingen van de Lokoundje die heel de vallei met hun ruisen vullen. In het ondiepe water achter de versnellingen spartelen donkere, kroesharige kinderen en soms klinken hun kleine stemmen door tot in mijn kamp waar de grote bananenbladeren ritselen en de laatste dauw uit de palmen neerdruppelt op het donkere bemoste dak van mijn hut. Warmer, voller wordt het licht, driester de rijzende zon. De turkooisblauwe floersen van de dageraad wijken en alleen tussen de witbemoste stammen op de boshelling toeven nog de laatste sluiers van de nacht.'

Dergelijke natuurbeschrijvingen vormen een rustpunt tussen de twee andere elementen die in Pygmeeën aan bod komen: wetenschap en avontuur. Wat het eerste betreft, heeft Julien een schat aan kennis te bieden over het leven van pygmeeëngroepen als de Efé, de Bakolah van Zuidwest-Kameroen, de Babendzéré en de Mikaya. Onvervangbare kennis bovendien, omdat de meeste groepen inmiddels niet meer in 'pure vorm' bestaan - uiteengevallen en uitgedund als ze in de loop der jaren zijn, of spoorloos opgegaan in de omringende negerculturen.

De belangstelling van Julien is heel gevarieerd, met niet alleen ruimte voor de materiële cultuur van de pygmeeën (wapens, werktuigen, bouwen van hutten), maar ook voor hun middelen van bestaan, jachtmethodes, eetgewoonten, huwelijken en uitgebreide dansrituelen. Toch gaat zijn grootste aandacht keer op keer uit naar de religie van pygmeeën. Geen groep kan hij bezoeken zonder dat hij - als overtuigd katholiek - vragen stelt over het aantal goden dat men aanbidt, en groot is zijn ontroering als telkens blijkt dat zijn gespreksgenoten, net als in het christendom, slechts één almachtige God erkennen: 'Ik kijk de kring van mijn kleine vrienden rond. De diepe ernst en de waardigheid waarmee ze deze dingen bespreken is treffend en vervult mij met eerbied, eerbied voor de persoonlijkheid van deze primitieven en voor het merkwaardig hoog begrip dat zij van het Hoogste Wezen hebben. Een warme wind trekt over het dorp en de scherpe walm van het smeulende vuur en de duffe aardgeuren van de vochtige boswildernis daarachter omspoelen ons. Lang blijf ik in gedachten verzonken.'

Maar niet zo heel er lang, want dan is het alweer tijd voor één van de vele avonturen in het boek: een knetterend onweer van 'violetblauwe schichten en krakende donderslagen', onderbroken opeens door 'een hoge, snerpende stem die in dodelijke nood weerklinkt in het kamp.'

Vooral hoofdstuk negen is één groot avontuur. Julien begeeft zich dan in het Itouriwoud (in het noordoosten van de toenmalige Belgische Kongo), waar hij al snel te maken krijgt met muiterij onder zijn dragers en de verborgen maar voelbare aanwezigheid van de Anyota (een moordlustig genootschap), en hij ook nog eens in het diepste geheim een pygmeeën-skelet gaat opgraven. Toch schuilt ook in deze episode, net als in het hele boek, het grootste gevaar in het oerwoud zelf: de dichte, bedompte, en vaak verstikkende jungle die de reiziger kan treffen met wat de Fransen 'cafard' noemen, een depressief en levensbedreigend gevoel van onverschilligheid.

Pygmeeën is inmiddels meer dan veertig jaar oud, en dat heeft onvermijdelijk consequenties voor de gevoelswaarde van sommige woorden en passages. Julien - als man van de koloniale tijd waarin hij onderzoek deed - maakt vrijuit gebruik van termen als 'primitieven', 'dwergen', 'wilden', 'mijn kleine bruine (oerwoud)vrienden' en andere patroniserende taal die een hedendaags antropoloog nog voor geen goud op zijn conto zou willen schrijven. Datzelfde geldt voor de 'morele balans' die Julien aan het eind van het boek opmaakt van de pygmeeën-cultuur, en het zogeheten evolutionisme dat hij aanhangt: de overtuiging dat volkeren als de pygmeeën op de onderste trede van de menselijke beschaving staan, een trede die de Westerse mens al duizenden jaren geleden heeft verlaten.

In tegenstelling echter tot veel andere antropologen uit de jaren vijftig, weet Julien al die koloniale vooringenomenheid te overstijgen, en wel door de onmiskenbare zorg en aandacht waarmee hij zijn 'kleine vrienden' tegemoettreedt, gepaard aan een gevoel van lotsverbondenheid. Het duidelijkst (en mooist) komt die houding tot uiting in een lange overpeinzing tegen het eind van het boek. Julien zit dan in een hut, vergezeld van een aantal pygmeeën onder wie een hoogzwangere vrouw. Buiten klinkt het 'geklaag van nachtvogels en het knetteren van vlammend hout', en dan volgen de woorden: 'Met ontroering werd ik mij bewust hoe relatief simpel de primitieve mens triomfeert over de dreigingen van de wereld waarin hij leeft. Hier, temidden van moerassig oerwoud, dat na de ijswildernissen van het poolgebied zeker het gevaarlijkste en mensvijandigste milieu is dat de aarde kent, huist dit handjevol wilden in een angstwekkende eenzaamheid, hier staat een jonge vrouw op het punt haar hoogste taak als vrouw te volbrengen. Welke raadselachtige tegenspraak, vroeg ik mij af, ligt er toch in het feit dat wij cultuurmensen onder deze omstandigheden reddeloos te gronde zouden gaan en zij zich handhaven, millennia lang? Ligt de sleutel van dit raadsel in de omstandigheid dat hun cultuur, die wij primitief noemen, volmaakt aansluit op het milieu? Is deze eigenlijk toch al te simplistische verklaring toereikend? Ik weet het niet. Maar dit besefte ik: dat wij tegenover primitieve culturen met even eerbiedige huivering moeten staan als tegenover de cultuurhoogtepunten der mensheid. Moeten staan: want beide ontstonden uit een goddelijke vonk, beide dragen in zich het stigma van goddelijke hulp.'

Voor de fraai uitgegeven herdruk van zijn boek maakte 'Dr. Paul' - zoals hij tijdens zijn hoogtijdagen bij de radio liefdevol werd aangeduid - een uitgebreide keuze uit zijn omvangrijke fotoarchief. De juiste visuele bekroning van een antropologische klassieker.