Jaren van rekenschap

De mannen waaruit ik besta liepen in paniek door het huis. Ze stonden stil bij de kasten, staken hun hand uit, trokken hun hand terug, stapten verder, sissend van angst. Een van hen zei: “Laten we eerst een borrel drinken.”

We gingen zitten, dronken gretig en een ander zei: “Hemeltje toch. Die deur heb ik al zo vaak open en dicht gedaan en ik weet wat er in de kast staat, schalen, schotels, borden, kopjes, een soepterrine, en er liggen vorken, messen, lepels. En ik durf niet, echt niet, ik durf de sleutel niet aan te raken, zoals ik een vlam niet durf aan te raken. Wat is er toch gebeurd?”

Een derde zei plechtig: “Uit alle kasten vallen lijken. Het gaat in heel Europa zo. Hebben we laatst niet een borrel gedronken bij onze oudste vrienden? Uit kartonnen bekertjes! Zij dorsten evenmin hun kast met glaswerk open te doen. Aan het eind van dit millennium zijn de vloeren van alle huis-, slaap-, kinder-, studeer-, logeerkamers met lijken bedekt.”

“Maar waarom”, zei de tweede met een piepstem, en de derde sprak: “Rekenschap. Dit zijn de jaren van rekenschap.”

We lachten en dronken. “Toch zit er iets in”, zei de derde, nu op lichte toon. “Bolkestein zet die ijdele ex-communisten nog eens in het zonnetje. Je huivert wanneer je leest hoe gemeen of slonzig er met joods bezit is omgegaan. Je leest dat Beatrix eigenlijk haar excuses had moeten aanbieden aan Soeharto. Je denkt: o, o, en ik?”

“Dat is onzin”, zei de eerste. “Ooit heeft een van ons knarsetandend vastgesteld dat temperament, opvoeding, ervaring ons gedoemd hebben tot het onnozelste, burgerlijkste ideaal: redelijk humanisme. In een mooie, brave wereld wilden we leven. Lauw, flauw. Maar de grote ideologieën van de eeuw hebben ons tenminste niet in verleiding gebracht. Dat is het voordeel van zo'n levenshouding.”

“Lijken in al je kasten”, zei de derde. “In de jaren dertig, toen we intellectueel wakker werden, hebben we ons toen opgewonden over het kolonialisme? Nee, jongens, dat hebben we niet. We waren tegen nationaal-socialisme en fascisme, onvoorwaardelijk, tegen Duitsland, tegen Italië. Maar tegen Nederland als koloniale macht? En de eerste politionele actie, tegen de Indonesische vrijheidsstrijders, houdt de kast dicht, jongens, er valt een lijk uit, met die eerste politionele actie waren we het geloof ik eens.”

Een vierde begon te giechelen: “Wat dom waren we toch. We beschouwden Soekarno als een soort Mussert die met de vijand had geheuld. Met de tweede politionele actie waren we het niet eens, dat weet ik zeker, dat denk ik zeker te weten. Je hebt gelijk, erg veel inzicht hadden we niet.”

“Vooruit”, zei een vijfde. “Herinneren jullie nog die bijeenkomst van de P.E.N. in Keulen, Duitse en Nederlandse schrijvers een avond uit praten. In de jaren zestig. Margaretha Ferguson en Hans van de Waarsenburg legden een hooggeleerde mof uit dat wij Nederlanders ons eeuwenlang schandelijk hadden gedragen in Indië en dat de Nederlandse soldaten even erg waren als SS'ers. O wat vond die mof dat prachtig. Wij allemaal even slecht en met schuld beladen. Ik protesteerde. Die mof viel heftig tegen mij uit. Ik heb later gehoord dat hij een tijdje nazi is geweest.”

De derde zei: “Wantrouwde je jezelf niet toen je tegen die Duitsers inging? Raak je in het algemeen niet geprikkeld wanneer er iets lelijks over Nederland wordt gezegd? Ben je gewoon een nationalist?”

“Op reis is het heerlijk om een Nederlander te zijn”, zei de vijfde. “Dat hebben we vroeger ervaren. Niet voor een diplomaat misschien, maar voor een toerist die graag in kroegen zit te zwetsen... Engelsen worden geacht droog en geestig te zijn, Fransen worden geacht kreeft te eten, Duitsers worden geacht bier te drinken en te zingen, Amerikanen worden geacht zich raar aan te kleden. Van Nederlanders wordt niets verwacht. Ze bestaan niet. Heerlijk. Zelfs je taal bestaat niet. Je wordt op zo'n bevrijdende manier niemand wanneer je aan een Marokkaan vertelt dat je boeken schrijft in een niet bestaande taal. Je wordt vertroeteld als een kind.”

“Dit is geen antwoord op mijn vraag”, zei de derde.

“Ik ben geen nationalist”, zei de eerste. “Zo nu en dan schaam ik me dat ik Nederlander ben. Het bewijst dat ik me volop Nederlander voel en in zekere zin verantwoordelijk voor mijn landgenoten.”

“Ik heb je”, juichte, heel somber, de derde. “Uit wat je zegt blijkt dat je erkent een deel van de collectieve schuld te dragen. Doe de kasten open, mijn jongen, wat er allemaal uit sodemietert, hahahaha, niet te geloven, het bonkt en klettert, het davert en klatert, het...”

“Je bent dronken”, piepte de tweede, zo luid als hij kon. “Die man moet zijn mond houden. Jullie moeten hem zeggen dat hij zijn mond houdt.”

“Fout voor de oorlog, fout in de oorlog, fout na de oorlog”, bulderde de derde. “Fout om wat je deed, fout om wat je naliet, je bent fout geboren, je hebt fout geleefd, je zult fout doodgaan.”

“Ik had hem geen borrel moeten schenken”, zei de eerste. “Daar zit ik nu met mijn redelijk humanisme. Dat kan toch niet op tegen zo'n aanval?”

De vijfde zei: “Volgens hem gaat het in heel Europa zoals hier bij ons thuis.”

“In heel Europa”, zei de derde, onverwachts kalm. “De Duitsers doen nog steeds hun best zo nu en dan. De Fransen merken dat ze lafaards en collaborateurs zijn, geen helden. De Zwitsers merken dat ze huichelachtige dieven zijn, geen mensenvrienden. De Belgen...”

“Weten jullie nog”, zei de eerste. “Vlak na de oorlog maakten de landen berekeningen over wat ze verloren hadden door de Duitse agressie. Het werd een strijd om de eer van het meeste leed. Nogal beschamend. Wordt het nu een strijd om de eer van de scherpste zelfbeschuldiging?”

“Ik hoop het”, zei de derde en de eerste zei: “Nogal beschamend.”