In de ban van het Millennium

Stephen Jay Gould: Questioning the Millennium. Harmony Books, 190 blz. ƒ 46,50

Als Stephen Jay Gould in 1985 weer eens een bundel essays uitbrengt - The Flamingos Smile - vertelt hij in het voorwoord over de afgelopen paar jaar waarin hij heeft moeten vechten tegen kanker.

Van alle dingen die het leven zo mooi maken, waren er twee die hem op de been hebben gehouden: '...dat ik mijn kinderen gewoon móest zien opgroeien en dat het toch pervers zou zijn geweest om zo dicht het millennium te zijn genaderd om het uiteindelijk toch te missen.' Het illustreert hoezeer Gould in de ban is van de overgang die velen van ons over een paar jaar te wachten staat. Voor hem is die belangstelling voor het jaar 2000 terug te voeren op een gebeurtenis in januari 1950, toen hij er in Life voor het eerst over las en zich realiseerde dat hij 'one helluva lucky guy' was dat hij dat mee mocht maken. En misschien vinden we dat allemaal wel een beetje. Gould voorzag dus dat er in komende twee jaar een stortvloed van boeken over het aanstaande millennium over ons zal worden uitgestort - de enigszins overdreven opwinding over de computerramp is er misschien al wel een voorbode van. Hij heeft er echter een hekel aan om de massa te volgen, en daarom schreef hij nu al zijn Questioning the Millennium. Daarin probeert hij op de van hem zo vertrouwde wijze een aantal W-vragen te beantwoorden, die we onszelf allemaal al wel eens gesteld hebben of zeker nog zullen stellen.

Voordat hij daaraan toekomt kan hij het natuurlijk niet laten om nog even fijntjes op te merken hoe volledig arbitrair de kwestie feitelijk is. De natuur kent immers geen duizendjarige perioden. En als het tientallig stelsel al terug te voeren is op het aantal vingers, dan weet hij als evolutiebioloog natuurlijk heel goed dat het er even goed zes of acht hadden kunnen zijn. Het zij zo, we zitten nu eenmaal vast aan die 'millennial madness' en het is daarom misschien maar het beste om een paar onduidelijkheden en vragen uit de wereld te helpen: wat is het precies, wanneer vindt het plaats en waarom worden we er zo door geboeid? Het begrip 'millennium' dook voor het eerst op in het kader van de eschatologie, de leer van het einde der tijden. In de bijbel is die met name verwoord in het boek Openbaringen. Daarin heet het dat Christus duizend jaar zal regeren, terwijl Satan in een bodemloze put gevangen wordt gehouden. Wanneer daarna in een hevige strijd het Kwaad definitief zal worden overwonnen, volgt het Laatste Oordeel waarin de bokken van de schapen worden gescheiden. Zo werd het 'millennium' het op handen zijnde duizendjarig rijk, en door de eeuwen heen is dit voor onderdrukten, andersdenkenden en revolutionairen aanleiding geweest om de heersende instituties aan te vallen.

Maar wat is dan het verband tussen dit apocalyptisch denken en onze kalender? Hoe is dit 'millennium' te rijmen met onze fascinatie voor het jaar 2000? Dat hebben we aan Petrus te danken, die in zijn brieven al schrijft over het lange uitblijven van Christus wederkomst. Maar bedenk dan, zegt hij, '...dat één dag voor de Heer is als duizend jaren en duizend jaren zijn als een dag.' Vanaf dat moment wordt de schepping - zes dagen gevolgd door een rustdag - symbolisch voor de geschiedenis van de wereld: zesduizend jaar lijden gevolgd door duizend jaar van geluk. Tevens wordt het zaak om het moment van ontstaan van de wereld zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, de levensduur ervan staat immers vast. Zo maakt de Anglicaanse aartsbisschop James Ussher een uitgebreide studie van de bijbel op grond waarvan hij meent vast te kunnen stellen dat de schepping plaatsvond in 4004 voor Christus, en wel aan het begin van de middag van 23 oktober. Volgens zijn berekening zou het duizendjarig rijk dus al zijn ingegaan! En Gould zou Gould niet zijn als hij deze kans niet met beide handen aangreep om een verband te leggen tussen het ingaan van die gelukzalige periode en een ongelofelijke gebeurtenis tijdens de World Series van dat jaar, want het kan niet anders of 'God is een Yankee-fan'.

Onze kalender vormt het onderwerp van de laatste twee delen van het boek: hoe we eraan komen, hoeveel moeite we moeten doen om hem in de pas te laten lopen met de natuurlijke cycli en vooral: wanneer we nu precies de een-en-twintigste eeuw ingaan. Als een vriendelijke schoolmeester legt hij kwesties als het verschuiven van de datum van de Ramadan of de bepaling van het Paasfeest en het niet in de pas lopen van het zonnejaar en het maanjaar uit. In een epiloog komen tenslotte de ongelofelijke verrichtingen van de 'day-date calculators' nog even aan bod. Gegeven immers de vele correcties waar onze kalender aan blootstaat, is het geen eenvoudige zaak om te berekenen met welke dag in de week een willekeurige datum uit het verleden verbonden is. Toch zijn er een mensen - veelal autisten - die dit razendsnel kunnen doen. Gould probeert achter hun 'geheim' te komen, waarbij hij zijn beweegredenen bijna tot de laatste zin verborgen weet te houden. Maar wie hem kent als iemand die de objectieve wetenschap altijd mooi weet te vervlechten met zijn persoonlijke ervaringen, zal niet écht verrast worden. Desondanks vormt het een ontroerend einde van opnieuw een prachtig boek.