Ik, jij, daar, wham!

Gewelddadigen zijn in het voordeel, want de gewelddadige dwingt zijn slachtoffer om de eigen wereld te verlaten en de zijne te betreden. “Daarin schuilt de ware aard en zin van geweld - in die onderwerping die een vernedering is.”

Dof roffelende tapdans van sneakers op nek en nieren / het lome ploffen van vuisten in buiken, op kaken / Knieën knus begraven in kruizen / een kopstoot als doodskus/ en dan het grote braken.

Zoals de Amerikaanse Beat-dichter Gregory Corso op het hoogtepunt van de Koude Oorlog een ellenlang, uitklapbaar lofdicht schreef over De Bom en zo dit ultieme wapen met zijn poëzie onklaar maakte, zo zou ik in staat willen zijn een vernietigende ode te brengen aan het soort straatgeweld dat het afgelopen jaar veel mensen in een toestand van morele paniek heeft gebracht. Ik zou het, zoals ik hierboven al poogde te doen, bezingen als ging het om een ballet, een happening, een dionysisch ritueel. Ik zou er muziek onder zetten: geen rap, gabber of metal, maar een stampvoetende flamenco of Bach en er tekstballonnetjes met Zap! Pow! Smak! inhangen. En iedereen die het zag of hoorde zou van geluk in de handen klappen en nooit, nooit meer bang zijn.

Maar wat nou 'ik'? Ik zou helemaal niks. Flower power is nooit mijn sterkste punt geweest. Ik heb vaak al moeite met glimlachen en van geweld - en dan bedoel ik niet het geweld dat nodig is om onszelf, individueel en collectief, te verdedigen, maar smerig, misdadig, martelend geweld - word ik ziek, niet dichterlijk. En dat is jammer, want precies daarom, vanwege de gezonde afkeer van geweld, blijven de gewelddadigen in het voordeel ten opzichte van de niet-gewelddadigen.

Niet zo lang geleden reed ik ergens tussen Den Bosch en Utrecht op de snelweg en daalde er, net toen ik bezig was met inhalen, met hoge snelheid een grote zwarte auto op mijn bumper neer. Zonder erbij na te denken maakte ik met mijn rechterhand een gebaar naar achteren van 'rustig maar, een beetje afstand graag' en koerste, na mijn inhaalmanoeuvre voltooid te hebben, bedaard terug naar de rechterrijbaan. Eén tel later was de bumperklever langszij gekomen en bleef daar hangen. Ik keek opzij en wist direct 'ai, foute boel'. Twee Schwarzeneggers zaten er op de voorbank, waarvan die aan mijn kant zijn raampje al naar beneden gedraaid had en, zijn kale kop en halve romp buiten de auto hangend, met zijn rechterhand eerst op mij, toen op zichzelf en ten slotte, met gebalde vuist, op de vluchtstrook wees. De boodschap was duidelijk. Jij, ik, daar, matten.

Schrikdraad

Direct ontstond er een gat waar mijn maag gezeten had en mijn armen en benen leken in een web van schrikdraad verwikkeld te zijn geraakt, om van het koude zweet nog maar te zwijgen. Een zwak afwerend gebaar met mijn linkerhand en een verkrampte uitdrukking op mijn gezicht van 'hè toe, doe niet zo flauw, zeg' - een beter antwoord wist ik niet te verzinnen, en onmiddellijk had ik al mijn tegenwoordigheid van geest nodig om de snijbewegingen te ontwijken waarmee de auto van de vijand mij in de berm probeerde te rijden.

Ik remde af, hij kwam voor mij rijden en remde ook af - waardoor ik om een botsing te vermijden razendsnel naar de linkerbaan moest uitwijken. Ik trapte plankgas, maar hij was sneller, haalde mij rechts in en begon mij nu richting vangrail te snijden. Weer hield ik in om van rijbaan te kunnen veranderen. En zo ging dat door, een paar eindeloze minuten lang, tot ze er opeens genoeg van kregen en met twee keer de maximumsnelheid binnen een oogwenk uit het zicht verdwenen. Tien minuten later was mijn reisgenote er eindelijk in geslaagd om op een parkeerplaats mijn in een soort rigor mortis om het stuur gekromde vingers één voor één los te wrikken.

Waar wij uit ontkomen waren behoort tot de engste gebieden die het menselijk verkeer rijk is, een soort twilight zone waar de gewelddadigen in thuis zijn en de niet-gewelddadigen niet. Het voelt als een vrije val zonder parachute, de momenten die direct aan de uitoefening van geweld voorafgaan en die gemarkeerd worden door verschillende stadia van mentaal kokhalzen. De gewelddadige weet dit, maakt er gebruik van. Door het in stelling brengen van gewelddadigheden dwingt hij je je eigen wereld te verlaten en de zijne te betreden, een wereld waarin je, als de weg terug eenmaal is afgesneden, overgeleverd bent aan zijn macht. Daarin schuilt de ware aard en zin van geweld, ook van 'zinloos' geweld - in die onderwerping die een vernedering is. Daarom konden mijn wegpiraten op een gegeven moment ook met een gerust hart besluiten om door te rijden. Ze hadden mij niet eens hoeven aan te raken om me te verslaan. Ik was al verslagen door mijn eigen paniek.

Wildplassen

Maar ook het omgekeerde is waar: niet alleen werd ik hún wereld binnengesleept, zij waren ook mijn wereld binnengedrongen - zij het, gelukkig, niet all the way. Dat is een ander, obsceen aspect van dit soort geweld: dat er inbreuk gemaakt wordt op de enige ruimte in de wereld die exclusief van jou is, totaal privé: je lichaam, de final frontier tussen het publieke en het particuliere. De publieke ruimte zelf is inmiddels hand over hand bezet gebied geworden, terrein verloren aan lawaai, op straat pissen, mobiele telefoons (ook een vorm van wildplassen), funshopping, boemboxen, terrassen, informatie-informatie-informatie, vrijgezellenparties, enzovoorts. Verschijnselen die deels zijn terug te voeren op de algehele 'evenementisering', ook wel, de 'verkoninginnedag-isering' van het wereldbeeld. De klassenstrijd is al lang geschiedenis, het morele equivalent daarvan is nog taboe, en de enige strijd die er over is, is de 'struggle for fun', en die wordt, met een direct beroep op ieders grondwettelijk vastgelegde 'right to party' nu met alle middelen uitgevochten. Met de duurste kleren, de verste reizen, de langste feesten, de meeste afspraken, de sterkste drank, de grootste bek en als het moet, als je mij hindert, op leven en dood. Ik, jij, daar, wham!

Op televisie waren laatst opnamen te zien die een toevallige voorbijganger had gemaakt van een vechtpartij op straat waar hij getuige van was geweest. Wat precies de aanleiding was - àls die er al was - ben ik vergeten, maar het ging om een echtpaar waarvan de man werd afgetuigd door een andere man. Nu gaat er, wat mij betreft, altijd een zeer speciale fascinatie uit van dit soort schimmige en schokkerige beelden waarop niet alleen iets te zien is wat je eigenlijk niet had mogen zien, maar ook en vooral iets wat niet had mogen gebeuren en waarvan je elke keer dat je het ziet het gevoel houdt dat je het op een of andere manier had moeten zien te voorkomen. Denk aan het befaamde Zapruder-filmpje van de moordaanslag op J.F.K. , of het moment in de documentaire Gimme Shelter dat je een lijkbleke Mick Jagger de filmbeelden ziet bekijken waarop te zien is hoe tijdens het Stonesconcert in Altamont een jongen uit het publiek door een Hell's Angel wordt neergestoken. Maar ook, meer recentelijk en dichter bij huis, aan de dood van Ajax-aanhanger Carlo Picornie.

Gebeurtenissen die zich, bij toeval geregistreerd door een onwetende camera, opeens vóór je ogen afspelen. Voorkomen kun je ze niet meer, maar nu ze zijn vastgelegd kun je ze wel, door ze te vertragen en te vergroten, in zekere zin ook stilleggen om er het grote geheim dat ze lijken te herbergen aan te ontfutselen. Een geheim dat te maken heeft met - om maar even Heideggeriaans uit de hoek te komen - het wezen van elk 'gebeuren': waarom er iets gebeurt veeleer dan niets, zeg maar. Door dit soort beelden, waarin leven en dood elkaar kruisen, eindeloos te vertragen en op te blazen - op een manier die analoog is aan de wijze waarop in de micro-fysica deeltjes worden versneld - moet het, is de gedachte, mogelijk zijn iets te betrappen dat je geen leven en geen dood meer kunt noemen maar er wel IS. Al was het alleen maar als 'moment', iets tussen 'al' en 'nog niet' in, puur 'nu'. Een moment waarin de rigide zekerheid van wat-nou-eenmaal-gebeurd-is uiteenvalt in een dans van waarschijnlijkheden. Dichter bij de mogelijke omkeerbaarheid van een gebeurtenis kun je niet komen.

Het moment waar het mij in voornoemde beelden van het straatgevecht om gaat, is het moment dat de onenigheid, in de vorm van wat geroep en geduw, overgaat in een werkelijk handgemeen. Daar waar het menens wordt. Om dat te isoleren moeten we inzoomen op de nek van de agressor in deze, want op een of andere manier is daaraan te zien dat er in de kop van de man een knop is omgegaan. Je ziet die nek - en met die nek die kop en met die kop het hele lijf - opeens als een vuist naar voren schieten. Snelheid en doelbewustheid zijn die van een aanvallend dier, een slang, een pitbull, going for the throat. Wat er nog aan reflectie restte is puur reflex geworden. Wat een seconde geleden nog een nek was, is nu de achterkant van een hard voorwerp dat als een oordeel neerdaalt op zijn slachtoffer. En de dichter staat met zijn mond vol tanden.