Ierse onafhankelijkheidsstrijd; Klaar voor de opstand, maar ongeschikt

Oliver Knox: Rebels & Informers. Stirrings of Irish Independence. John Murray, 304 blz. ƒ 75,- Stella Tillyard: Citizen Lord. Edward Fitzgerald, 1763-1798. Chatto & Windus, 335 blz. ƒ 48,50

Waar zou Billy Wright nu zijn als Napoleon eind achttiende eeuw vaste voet aan de grond had gekregen in Ierland? Misschien zou hij rustig in Manchester wonen, als hooligan-voorman bij de plaatselijke voetbalclub, omdat zijn protestantse voorvaders na de Franse invasie teruggegaan waren naar Engeland. Wellicht zou hij gewoon kerkdienaar zijn in Portadown, prekend voor een protestantse minderheid in een onafhankelijk, verenigd Ierland.

Het heeft allemaal een haartje gescheeld, want in de jaren 1790 had het er alle schijn van dat de Franse revolutie zou overslaan naar Ierland. Wie de Britse archieven induikt, treft talloze pamfletten, liederen en brieven aan waarin geheime revolutionaire genootschappen in Dublin en Belfast 'young Boney' (Napoleon) opriepen Ierland te komen bevrijden. Daar hadden ze alle reden toe. De (katholieke) Ierse massa betaalde zich blauw aan tienden aan de protestantse Ascendancy, ging gebukt onder een corrupt politiek systeem en bleef verstoken van de roastbeef en de 'vrijheden' waar de Engelsen zich altijd op beroemden. Voor een deel van de Ierse protestanten gold hetzelfde, en samen staken ze een hand uit naar Napoleon. Hoe was het mogelijk dat op zo'n vruchtbare ondergrond de vrijheidsboom niet wilde groeien?

Het antwoord op die vraag ligt voor een deel al besloten in de titel van het boek dat Oliver Knox over het onderwerp heeft geschreven: Rebels and informers. Stirrings of Irish independence. Knox schreef eerder vier romans en was director of publications voor Thatcher, een achtergrond die zo nu en dan doorklinkt in zijn pakkende maar enigszins hooghartige boek. Hij laat zien dat een aanzienlijk aantal Ieren klaar was voor een opstand, maar dat de geheime genootschappen die ze als United Irishmen en Defenders oprichtten, vergeven waren van de spionnen - ongeveer zoals een jas waarin zich een mottenkolonie heeft gevestigd. Elke brief, elk plannetje gaven de informers razendsnel door aan het Ierse bewind in Dublin Castle. Daarbij profiteerden ze van de vaak geringe aanleg van revolutionaire leiders als Fitzgerald, Rowan en Wolfe Tone voor geheimhouding. De heren waren van gegoede familie en niet altijd voorzichtig genoeg voor een ondergrondse beweging.

Triest voorbeeld van revolutionaire loslippigheid was dominee William Jackson, in 1794 vanuit Parijs naar Dublin vertrokken om de Ierse steun voor een Franse invasie te peilen. Onderweg kleefde John Cockayne, een oude vriend maar inmiddels informer geworden, zich aan hem vast. De argeloze Jackson liet zich tijdens diners in Dublin gewillig dronken voeren door Cockayne, die hem allerlei geheimen wisten te ontfutselen. Het werd nog erger: anderhalve week na aankomst in Ierland nam Jackson zijn verraderlijke vriend mee op gevangenisbezoek naar Archibald Rowan, één van de leiders van de United Irishmen. Rowan was ook al geen toonbeeld van discretie en hij speelde Jackson een kopie in handen van een memorandum dat Wolfe Tone had geschreven over de stand van zaken in Ierland. De documenten zouden Parijs nooit bereiken, ook al omdat Jackson ze met de gewone post verstuurde. De dominee werd gearresteerd en pleegde in de rechtbank zelfmoord door arsenicum in te nemen.

Het was het begin van het einde voor de Ierse revolutionaire genootschappen, waarvan de leiders uitwaaierden naar het buitenland. Tone en Fitzgerald hingen maandenlang rond in Parijs en Hamburg waar ze de Fransen trachtten te enthousiasmeren voor een invasie in Ierland. Daarbij werd optimistisch omgesprongen met cijfermateriaal: zo verzekerde Fitzgerald een Franse afgezant dat niet minder dan 150.000 Ieren bereid waren om in opstand te komen onder Frans leiderschap.

Het mocht niet zo zijn. Een eerste invasievloot kon door een razende storm in december 1796 niet landen in Bantry Bay - veel geluk hadden de Ierse revolutionairen ook al niet - en toen in augustus 1798 een veel kleinere Franse troepenmacht wel aan land kwam, viel de bijstand van de Ierse bevolking ernstig tegen, zodat de Fransen het uiteindelijk moesten afleggen tegen de Britse militairen. Volgens Knox bleek toen dat de upper class-leiders van de Ierse revolutionairen teveel gericht waren geweest op het ideeëngoed van de Amerikaanse en Franse revoluties, en te weinig met hun voeten in de turf stonden om de massa te mobiliseren.

Die analyse wordt, wat Edward Fitzgerald betreft, echter weersproken in Citizen Lord, de biografie die Stella Tillyard over deze revolutionaire Lord schreef. Waar Knox gnuivend noteert dat Fitzgerald zich geregeld wekenlang terugtrok in zijn landhuis te Kildare om te gaan tuinieren - zie je wel: zijn opstandigheid was vrijblijvend! - laat Tilyard zien dat er nog een andere bedoeling stak achter die retraîtes op het platteland. In Kildare kon Fitzgerald tijdens plaatselijke feesten en handbalwedstrijden nieuwe leden werven voor de United Irishmen, en kon hij in alle rust revolutionaire leiders ontvangen. Het verzorgen van zijn tuin was slechts een dekmantel, die in brieven zelfs een beproefde metafoor werd voor zijn geheime politieke activiteiten. 'Ik heb alle bedjes klaar voor mijn bloemen', schrijft hij zijn moeder in november 1794, 'zodat je wel kunt raden hoezeer ik ernaar verlang om ze te planten'.

In zijn huis stookte Fitzgerald uit solidariteit met de gewone bevolking niet langer kolen maar turf, en begon hij Gaelic te leren. Nadat hij eind 1796 was teruggekeerd van het Europese vasteland reisde Fitzgerald, één van de weinige officieren binnen het genootschap met oorlogservaring, met zijn kameraad O'Connor door het Westen van Ierland om een opstand voor te bereiden. Fitzgerald overlegde met protestanten én katholieken, en een spion rapporteerde dat 'de lagere klassen hem erg bewonderen'.

Dat de Ierse revolutie toch niet van de grond kwam, wijt Tillyard aan het feit dat er op 23 mei 1798, de dag die de United Irishmen geprikt hadden voor hun opstand, simpelweg geen leiders meer over waren. Tone was nog in Frankrijk, O'Connor was na een meningsverschil eveneens naar Parijs vertrokken, Fitzgerald werd op 19 mei in een schuilplaats neergeschoten en gearresteerd, Neilson werd zelfs enkele uren voor het afgesproken revolutie-tijdstip opgepakt. Gevolg was dat de gewapende United Irishmen op de avond van 23 mei wel hun posities innamen, maar tevergeefs wachtten op het afgesproken teken van Fitzgerald en Neilson. Vervolgens dropen de revolutionairen in Dublin af naar huis, terwijl de leiderloze opstand op het platteland ontaardde in sectarische slachtpartijen die wel dertigduizend levens kostten, maar een onafhankelijk Ierland geen stap dichterbij brachten.

Fitzgerald en de zijnen waren roekeloos geweest, te optimistisch ook over de kansen van een volksopstand in het verdeelde Ierland nadat Franse steun uitbleef. Maar dat is nog geen reden om hen badinerend af te schilderen als naïeve romantici, zoals Knox doet. Hij lijkt de Ierse revolutionairen bijna schattig te vinden en kan niet begrijpen waar hun haat tegen Engeland toch vandaan kwam. Immers: 'Tone was protestant, zeer goed opgeleid, populair bij zijn tijdgenoten en favoriet onder de meisjes.' Dat Knox niet begrijpt dat dit een principiële afkeer van het repressieve Britse koloniale bewind niet hoefde uit te sluiten, tekent zijn eigen naïviteit.