Hoe maakt een god eigenlijk kinderen?; Gesprek met bariton John Bröcheler over Wagners Wotan

Alle voorstellingen van 'Die Walküre' zijn uitverkocht. Inl. Muziektheater Amsterdam, 020-6255455

“Moet je eens goed naar die muziek luisteren, zeg. Zuchten en zuchten, tot er weer een ontlading komt”, zegt John Bröcheler, de bariton die de komende weken Wotan zingt in Wagners 'Die Walküre'. Wotan is een god, maar hij wordt een kwetsbaar mens. En zo zingt Bröcheler hem.

Waarom draagt Wotan, god van de goden, held van het Walhalla, een lapje voor zijn oog?

“Weet ik niet”, zegt John Bröcheler. “De één zegt dat hij in het gevecht om Fricka zelf zijn oog heeft uitgerukt. De ander zegt: zijn rivaal heeft hem willen doden met een tak.”

Fricka is de vrouw van Wotan. En John Bröcheler, bariton, is morgen zelf Wotan. Dan zingt hij in het Muziektheater in Amsterdam de première van het tweede deel van Wagners Der Ring des Nibelungen: Die Walküre.

“Door dat oog dat ik moet missen”, zegt Bröcheler, “weet ik wel dat er een tijd is geweest dat ik Fricka heb willen behagen.” Dat was dan vèr voor Das Rheingold, het eerste deel van Der Ring, want als de opera begint, is het al een en al geruzie tussen die twee. “Het is een slecht huwelijk”, zegt Bröcheler. “Een normaal slecht huwelijk. Ze willen allebei hun status en hun positie houden. Dus blijven ze bij elkaar.”

In Das Rheingold is Fricka kwaad op Wotan omdat hij de reuzen, die voor hem een nieuw Walhalla hebben gebouwd, wil betalen met haar zusje Freia en haar gouden liefdes-appels die de goden eeuwig jong houden. En in Die Walküre - twintig jaar later - is ze nog veel kwader omdat Wotan overal kinderen blijkt te hebben verwekt: negen Walküren bij oermoeder Erda, de tweeling Siegmund en Sieglinde bij een gewone mensendame. Maar het meest ergert ze zich aan Wotans listen. Zijn zoon Siegmund, heeft de oppergod bedacht, moet voor hem de uit het Rijngoud gesmede ring terugstelen van de reuzen. Onder druk van zijn vrouw heeft hij, in Das Rheingold, met dat goud immers Freia vrijgekocht. Maar zijn macht is hij sindsdien ook kwijt.

In Das Rheingold is Wotan belangrijk, in Die Walküre is hij nog veel belangrijker. Die Walküre is het verhaal van een god die zijn macht en zijn geld verloor en woedend moet toezien hoe alles wat hij aanpakt mislukt. Hij eindigt als een zwerver. In Siegfried, het derde deel uit Der Ring, heet hij niet eens meer Wotan, dan is hij gewoon ein Wanderer. In het laatste deel, Götterdämmerung, komt hij niet langer voor. De mensen hebben de macht overgenomen. Aan het slot gaat het Walhalla in vlammen op.

De oude, corrupte en decadent geworden adel die zijn privileges moet prijsgeven aan de burgerij - dat is de bedoeling van het verhaal. Wagner begon aan de opera in het revolutiejaar 1848. Hij werd door het Duitse gezag gezien als een opruier.

Eperheide

John Bröcheler heeft al zijn tijd vrijgemaakt voor zijn rol in Die Walküre. Hij woont maandenlang niet in zijn boerderij op de Eperheide in Limburg. Hij logeert met zijn echtgenote Leny in zijn appartement aan de Amstel. Daar zit hij, tussen twee repetities in, op de bank en vertelt over het 'totaal verkeerde gevoel' waarmee hij soms begint te zingen. “Het gevoel van onrecht dat je krijgt als je zo goed weet hoe het moet en je geen contact krijgt met je resonans. Het is een demon, zo'n blokkade.”

Wil hij er dan soms mee ophouden?

“Ja”, zegt de zanger.

“Ach”, zegt zijn vrouw. “Dat doe je toch niet.”

Bröcheler praat vrolijk door over Fricka die hij niet durft te verliezen en zijn dochter Brünnhilde van wie hij zo houdt. Hij is zo met zijn hoofd bij zijn werk dat hij, soms in één zin, heen en weer springt tussen ik John en ik Wotan, zodat je goed moet opletten over wie hij het nou eigenlijk heeft. “Het zwakke in Wotan spreekt me het meest aan”, zegt hij. “Als god is hij in staat om Siegmund te laten vermoorden. Brünnhilde wil hij streng straffen, maar dan merkt hij opeens dat hij het niet kan. De liefde voor haar wint het van zijn woede.”

Brünnhilde, één van de negen Walküren, is zijn lieveling. Zij moet, net als haar zusjes, de zielen van gevallen helden van de aarde naar het Walhalla brengen. Wotan wil zo een legertje op de been brengen om hem te beschermen. Brünnhilde probeert, tegen de opdracht van haar vader in, Siegmund te redden. (Ze is zijn geheime wil, zeggen Wagner-onderzoekers). En als dat mislukt, redt ze Sieglinde. Die draagt Siegfried in haar buik. Dàt kind wordt de held die Wotan in gedachten had.

Bröcheler lacht. “Hoe maakt een god eigenlijk kinderen?” zegt hij. Hij vindt het leuk om over dat soort dingen te fantaseren. “Volgens Wotan is het Minnezauber. Minnetover. Volgens Fricka neukt hij gewoon maar wat rond.”

En wat denkt Bröcheler zelf?

“Ik denk dat hij alleen maar met zijn vingers hoeft te knippen.”

Hij doet het niet echt?

“Haha, Wagner had dat wel gewild, dat weet ik zeker. Die Walküre gaat over macht, maar nog meer over erotiek. Moet je eens goed naar die muziek luisteren,zeg. Streep de zangers maar weg, die zijn bijzaak. Al die duizenden syncopen. En maar zuchten en zuchten, tot er weer een ontlading komt.”

Het afscheid van Wotan van Brünnhilde - derde en laatste bedrijf - vindt Bröcheler het mooiste deel van de vier uur durende opera. Maar het meest geniaal, zegt hij, is de dialoog tussen vader en dochter in het tweede bedrijf. “De meeste mensen doen het af als geouwehoer, omdat het nogal lang duurt. Maar wat daar gebeurt is de kern van Der Ring. Wotan die het einde van het godenrijk al voorziet en het aanroept.”

Auf geb ich mein Werk, nur eines will ich nog:

das Ende, das Ende!

Und für das Ende sorgt Alberich!

Alberich is de dwerg met wie alle ellende begonnen is: hij stal het goud van de Rijnmaagden.

“Het is zo mooi gecomponeerd. Dat murmelen van het orkest, dat eindeloze inhouden, de tekst die daaruit omhoog komt en dan opeens explodeert alles in dat ene woord: het einde.” Bröcheler gooit zijn armen omhoog en roept: “Ah!”

Leb Wohl!

Na zijn woede-uitbarsting om Brünnhilde's ongehoorzaamheid wordt Wotan plotseling mild. Dat is het moment waarop hij, zegt Bröcheler, menselijk wordt - en pas echt interessant. De oppergod besluit om Brünnhilde te laten leven en de kans te geven om bemind te worden. Dat doet hij wel op zijn eigen manier: hij legt haar te slapen in een ring van vuur en alleen de man die niet bang is voor Wotans speer zal dat vuur kunnen trotseren. (Siegfried natuurlijk, in de volgende opera.) “En dan loop ik weg”, zegt Bröcheler. “Ik trek mijn godenjas uit en ik weet: dit is de laatste keer dat ik mijn dochter zie. Leb wohl! Leb wohl! Leb wohl!”

Wotan is alleen nog maar heel kwetsbaar. En Bröcheler, dat blijkt de volgende dag op de repetitie, kan dat ook heel kwetsbaar zingen. Als je hem hoort, met dat Italiaanse legato, begrijp je wat dirigent Hartmut Haenchen ongeveer in zijn hoofd moet hebben: niets zwaars, niets pompeus.

Het toneel van het Muziektheater is, net als in oktober voor Das Rheingold, helemaal verbouwd. (Siegfried en Götterdämmerung worden dit jaar ook nog uitgevoerd, en volgend jaar is de hele cyclus in één avond en drie dagen te horen, zoals Wagner het wilde). Een enorme, schuingeplaatste ring van berkenhouten planken komt een paar meter de zaal in. Het orkest zit niet in de bak, maar bijna in het midden. “Hier sta je en je gaat daarheen”, fluistert Pierre Audi, de regisseur, vanuit de zaal tegen John Bröcheler en Jeannine Altmeyer die Brünnhilde zingt. “Eén meter naar links. Nog een klein stukje, ja, nog een paar centimeter.” Als een choreograaf.

John Bröcheler: “Hij biedt iets aan en daar zet ik iets tegenover, hij improviseert van moment tot moment. Nee, ik word nooit kwaad op hem. Hij zegt niets voor niets.”

De enscenering van het afscheid was in een kwartier klaar, zegt Bröcheler. Hij wil eigenlijk niet verklappen hoe het gaat. “Het is heel eenvoudig.” Maar tijdens de repetitie kun je al zien hoe het worden zal: Brünnhilde in de brandende ring en Wotan die bij haar komt liggen, zijn armen om haar heen slaat.

Angstvak

“Het is een angstvak”, zegt de zanger. Hij staat bekend om zijn zenuwaanvallen, kort voordat hij op moet. “Ik denk zo vaak: ik ga dood. Dat kan toch niet goed zijn.”

Zijn vrouw: “Je zou weg moeten van alleen maar zingen, zingen, zingen.”

De zanger: “Maar ik móét.”

Zijn vrouw: “Wat moet je?”

De zanger: “Mijn vader was kleermaker. Op het conservatorium was ik voorbestemd om liedzanger te worden. Ik heb altijd het gevoel dat ik hogerop moet. Ik heb een prachtige jeugd gehad. Maar toch ben ik groot geworden met het gevoel: ze moeten me wat. Nou ja, wat alle Limburgers hebben tegenover de rest van Nederland.”

Als je angst combineert met dat gevoel van minderwaardigheid en je doet er nog wat ijdelheid bij, zegt hij, dan is het resultaat: vele slapeloze nachten. “Ik wou dat ik me kon concentreren op altijd heel goed zijn in het midden en niet altijd maar te mikken op de top.”

's Nachts, zegt zijn vrouw, ligt hij net zo lang zijn tekst te repeteren tot hij op een punt komt dat hij het niet meer weet. “En dan staat hij op. Ik zeg tegen hem: je voedt het zelf.”

De zanger: “Voor dit jaar heb ik me voorgenomen om er niet meer aan toe te geven. Ik ben nu in een ja-fase. Als ik straks weer de bühne opga, denk ik niet meer aan wat er mis kan gaan. Ik denk alleen nog maar: ja!”