Het gaat om de ramp

Ieder luxekind dat is opgegroeid in een huis met een badkamer en een groot bad, en dat ook ouders heeft die over de Titanic vertelden zodra ze dachten dat het kind er groot genoeg voor was, kent dit plezier: de Titanic laten zinken. Je knie was de ijsberg, voor de Titanic kon alles dienen - desnoods een plankje - en dan liet je het schip vertrekken, ter hoogte van de afvoer. Je gaf het met je voet een duwtje, en daar ging het langzaam maar zeker de aanvaring tegemoet.

Toen ik klein was, waren de speelgoedschepen nog van blik. Mijn Titanic had een voorgezaagd gat in de romp - zelf gemaakt - zodat ze bij iedere tewaterlating al begon te zinken. Alle levende have uit mijn speelgoedvoorraad was aan boord; het leek meer op de Ark van Noach. In de buurt van mijn knie was het zo ver. Soms moest de ijsberg nog snel naar voren worden getrokken om de ondergang zich natuurgetrouw te laten voltrekken. Wat ik dan zag, lijkt veel op de foto in deze krant van 28 januari, pagina 13.

De film van James Cameron over de ramp met de Titanic heeft overal goede recensies. Uit die van Hans Beerekamp maak ik op dat de gebeurtenis in een nieuw filosofisch kader is geplaatst. De ondergang wordt in dit verhaal door de tijdgenoten niet meer gezien als de straf voor de hoogmoed van de techniek. Hier vindt de traditionele klassenmaatschappij zijn einde, op allerlei manieren, en het meest dramatisch, in de liefde tussen een passagier uit de derde klasse - man - en 'een verveelde jongedame uit de hoogste kringen'.

Ik dacht weer eens aan Kees van Bruggen. Hoe ver is hij, met zijn boek Het verstoorde mierennest (in 1916!) zijn tijd vooruit geweest. Vier vliegen in één klap heeft hij geslagen. De aarde komt terecht in de giftige staart van een komeet (science fiction). Er zijn twee overlevenden: een verveelde jongedame uit de hoogste kringen die ontwaakt uit haar narcose na de blindedarm-operatie, en een mijnwerker die in de onderste gang van een kolenmijn bewusteloos was geraakt. De mijnwerker redt zich het leven door langs de staalkabel van de lift naar de inmiddels niet meer bewoonde wereld te klimmen (rampenfilm). Het komt tot de ontmoeting tussen de mijnwerker en de jongedame (romantiek). Ze gaan, zogezegd, samenwonen maar dan blijkt dat de laatste vertegenwoordiger van het proletariaat en de laatste vertegenwoordigster van de hoogste kringen niet aan elkaar kunnen wennen. Ze krijgen ruzie (klassenstrijd). Als er één Nederlands boek het verdient om verfilmd te worden dan is het dit; maar een low budget productie wordt het dan niet.

Wat is het belangrijkst, de ramp of de interpretatie? Domme vraag. Zonder ramp geen interpretatie, en dus is de ramp het belangrijkst. Maar het gaat verder. Er zijn rampen van een zo magisch kaliber dat de creatieve geesten voortdurend op zoek zijn naar de volgende interpretatie om de ramp weer eens aan de orde te kunnen stellen. Daarbij hebben ze de tijd mee. Tot de komst van Cameron waren alle Titanics nog min of meer in het bad gezonken. Maar, zoals Hans Beerekamp schrijft (ik neem voetstoots aan dat het waar is), 'de moderne computertechniek doet ons versteld staan'. Anders gezegd: je bent er zelf bij, je ziet de lijken drijven terwijl het menselijk wonderwerk wegzinkt in het ijskoude peilloze. Daar gaat het om. De kern, het wezen van de rampenfilm blijft: de ramp. En dan mag je als publiek blij zijn dat weer eens iemand een nieuwe interpretatie heeft verzonnen.

Hetzelfde met de science fiction. Er zijn critici die Starship Troopers van Paul Verhoeven een bedenkelijke film vinden omdat er zoveel geweld in is en omdat de menselijke geweldplegers uit een maatschappij komen die 'fascistische trekjes' heeft. Het kan zijn. Dan is het een wel heel tam soort fascisme waarvan je zou willen dat het altijd zo was geweest. Maar het gaat niet om een 'maatschappijvorm', die toevallige interpretatie, de theoretische rechtvaardiging misschien, of het voorwendsel. Het gaat om de bugs, de insecten, de moderne computertechniek die ons versteld doet staan. En gemener beesten dan die hier optreden heb ik nog niet gezien. De Aliens van Cameron mochten er ook zijn, maar je raakt erop uitgekeken. Eén met de laatste computertechniek goed gebouwd insect doet al wonderen. Als ze dan met duizenden tegelijk tevoorschijn komen, over de kale, stenige vlakte van de verre planeet rennen om de menselijke bezoekers kort en klein te sabelen weet je: daarvoor ben je naar de bioscoop gegaan, en je krijgt zin zelf ook eens zo'n insect te ontwerpen.