Heidemij wijst claim dwangarbeider af

De Heidemij, sinds kort Arcadis geheten, weigert vooralsnog een schadeclaim te honoreren van een joodse voormalige dwangarbeider. Hij werkte in het Drentse werkkamp Mantinge dat in de oorlogsjaren door de Heidemij werd geleid.

DEN HAAG, 30 JAN. Een joodse voormalige dwangarbeider, R. Lijdesdorff uit Den Haag, eist van Arcadis, de vroegere Heidemij, een vergoeding van minimaal 25.000 gulden voor geleden materiële en immateriële schade gedurende de tijd dat hij in 1942 te werk was gesteld in een werkkamp in Drenthe. Als Arcadis blijft weigeren om aan de eis tegemoet te komen, volgt een kort geding. Lijdesdorff wil het bedrag schenken aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

De gepensioneerde etaleur Lijdesdorff (77) verrichtte van april tot en met half juli 1942 dwangarbeid in het Drentse werkkamp Mantinge. Met zeventig tot tachtig medegevangenen moest hij sloten graven en land ontginnen.

De kampen in Drenthe waren in de jaren dertig aangelegd door de Rijksdienst voor de Werkverruiming voor de tewerkstelling van werklozen. In de oorlogsjaren werden er joden geplaatst. De Joodsche Raad verleende medewerking aan de kampen en hoopte aldus joden voor deportatie naar concentratiekampen te behoeden. De werkzaamheden stonden onder toezicht van de Heidemij.

Vooralsnog weigert de Heidemij de claim te honoreren. H. Benninga, directeur marktontwikkeling en externe betrekkingen, stelt in brieven aan Lijdesdorff dat uit onafhankelijke geschiedschrijving bij het honderdjarig bestaan van de Heidemij in 1988 door de Erasmus Universiteit in Rotterdam is gebleken dat de Heidemij destijds geen blaam trof. In een brief van augustus vorig jaar schrijft Benninga: “De kampen waren eigendom van en werden beheerd door de toenmalige Rijksdienst voor de Werkverruiming. Medewerkers van de Heidemaatschappij waren uitsluitend belast met het toezicht op de uitvoering van de werken. Dat bleef zo toen, in plaats van werklozen, begin 1942 ook Joden in een aantal van deze werkkampen weren ondergebracht.”

Arcadis heeft vandaag besloten om te proberen buiten de rechter om in overleg met Lijdesdorff “een oplossing te vinden” voor de kwestie. Benninga sluit een financiële vergoeding niet uit, maar blijft erbij dat de Heidemij niet aansprakelijk gesteld kan worden. “De betrokkenheid beperkte zich tot het leiding geven aan de ontginningswerkzaamheden.” Van Arcadis kan niet meer worden verwacht dan “een gebaar”, aldus Benninga.

De claim van Lijdesdorff wordt ondersteund door het Centrum Informatie en Documentatie over Israël (CIDI) dat op zoek is naar andere voormalige dwangarbeiders. Volgens CIDI-directeur R. Naftaniël had de Heidemij destijds wel schuld. “De Heidemij heeft duidelijk economisch geprofiteerd van de werkkampen. Dat er joden werden ondergebracht in de kampen, was een idee van de Duitsers. Maar de Heidemij had niet hoeven en niet mogen meedoen.”

Mantinge was een van de werkkampen die sinds de jaren dertig door de Heidemij werden geleid. Volgens het CIDI ging het in totaal om vijfduizend joodse dwangarbeiders bij de Heidemij.

Begin jaren zestig richtten twee voormalige dwangarbeiders uit de werkkampen Sellingerbeets en Diever eveneens een verzoek tot de Heidemij om schulderkenning. Zij kregen nul op rekest, zo blijkt uit een ingezonden stuk van de beide ex-dwangarbeiders, L. Noot en A. de Leeuw uit Amsterdam, in het weekblad Vrij Nederland van februari 1963. “De Nederlandsche Heidemaatschappij heeft nooit enige bemoeienis met deze kampen gehad”, zo was het verweer.

Lijdesdorff woonde in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat en werkte als etaleur, toen hij op 28 maart 1942 de oproep kreeg van de Rijksdienst voor de Werkverruiming om zich te melden op het Centraal Station Amsterdam, vanwaaruit hij op 31 maart naar het Drentse Wijster werd gebracht. Vandaaruit liep de groep naar het werkkamp Mantinge. Lijdesdorff kreeg naar eigen zeggen nooit verlof, loon werd niet uitbetaald.

Benninga van Arcadis: “Op dit moment is niet meer te achterhalen of alle betalingen op de juiste wijze hebben plaatsgevonden.”

In het kamp was wel enige bewegingsvrijheid, die Lijdesdorff in staat stelde foto's te maken en deze naar zijn ondergedoken en later omgekomen ouders en broer in Amsterdam te sturen.

Op 15 juli 1942 werd Lijdesdorff overgebracht naar kamp Westerbork, waar hij barakken moest bouwen. Hij slaagde er als een van de weinigen in te ontkomen aan transporten naar vernietigingskampen en verbleef drieënhalf jaar in Westerbork. Lijdesdorff: “Ik doe dit niet voor mezelf. Ik doe het voor de jongens die niet meer teruggekomen zijn.”