Grappig en lief voor zijn moeder

Stephen Fry: Moab is my Washpot, an Autobiography. Hutchinson, 343 blz. ƒ 65,95 (geb.)

Stephen Fry op zijn veertigste is een van de grappigste Engelsen van dit fin de siècle, zoals wij weten van de televisie en van zijn romans; nu speelt hij ook nog Oscar Wilde in een nieuwe film. Reden genoeg om te onderzoeken wat hij vertellen wil over zijn eerste achttien jaar, in deze gedeeltelijke autobiografie met de onbegrijpelijke titel.

De voornaamste drie thema's van zijn jeugdgeschiedenis zijn: de ontwikkeling van een briljante gave om zichzelf overal in en uit te praten; de geleidelijke ontdekking van zichzelf als homoseksueel; en de perioden waarin hij lelijke kleine diefstallen pleegde.

Over zijn verbale talent en de verblijding waarmee hij vaak aangehoord is vertelt hij geanimeerd en zonder bluf. Over de homoseksualiteit is hij op kleine schaal onthullend, niet zo informatief als in zijn romans, maar hij kwam er in zijn schooltijd ook pas langzaam mee op gang. Zijn grote liefde ging uit naar een medescholier die hem een geschikte vriend vond zonder aan seks te denken, en die in drie jaar van een engelachtige koorknaap veranderde in een breedgeschouderde cricketer.

Op zijn achttiende werd hij opgepakt wegens diefstal en onrechtmatig gebruik van een credit card. Hij zat zes weken in het huis van bewaring van Swindon en kreeg daarna, als aardige jongere met een goede middle-class achtergrond, niet meer dan twee jaar voorwaardelijk opgelegd. Ook achter de tralies was hij populair gezelschap geworden. Hij maakte grappen tegen een bezoekende bisschop waar iedereen om moest lachen, de bewakers niet uitgezonderd.

Dat hij sindsdien honderd procent betrouwbaar is geloof ik niet. Het is niet de indruk die overbleef uit het incident twee jaar geleden toen hij wegliep uit zijn hoofdrol in een nieuw stuk van Simon Gray en na een paar weken boven water kwam in een kliniek in Kensington met de uitleg dat hij uit zijn doen was geweest door twijfel aan de waarde van zijn werk.

Dat er niet altijd op Fry gerekend moet worden bewijst in een andere zin ook deze jeugdgeschiedenis, want die is niet half zo goed gelukt als zijn romans. Hij bezondigt zich aan smakelijk vertellen, alsof hij ons voor zich ziet zitten met onze monden half open, klaar om in lachen uit te barsten. Een echte autobiograaf wil onderscheiden wat hij weet van zijn verleden en wat hij misschien ten onrechte denkt of van anderen gehoord heeft. Daar bekommert Fry zich niet om. Z'n pen vliegt over het papier, of zijn vingers vliegen over de toetsen, terwijl hij nauwkeurige en vage herinneringen op gelijke voet behandelt, complete dialogen verzint en zichzelf van toen beschrijft met gedachten die hij nu geformuleerd heeft.

Met deze vlotte schrijfwijze krijgt hij 343 pagina's bij elkaar over zijn schooljaren, wat al verontrustend is: hoe moet dat verder als hij tot zijn negentigste leeft? Laten wij hopen dat hij zich harder gaat concentreren op wat waar is en wat veelzeggend is. Hierbij één anekdote om aan te geven hoe geloofwaardig hij kan zijn. 'Mummy, mag een vrouw haar man zelf uitkiezen?', vroeg de witharige Stephen; natuurlijk, jongen; 'Waarom heb jij dan pappa gekozen als je meneer Popplewell kon nemen!' Popplewell was een vriend van de familie.

Trouwens, steeds als het over zijn moeder gaat schrijft hij lief. Dat is weldadig om te lezen en maakt iets goed van de absurde titel, ontleend aan Psalm 60 vers 8. Noch kenners van het Oude Testament noch gebruikers van oude Engelse zegswijzen die ik geraadpleegd heb begrepen wat hij ermee bedoelt. Gelukkig staat erboven een even absurd portret van de auteur waarop zijn veelbesproken scheve neus duidelijk uitkomt. Hij wordt een vertrouwde figuur.