Gesprek met Pierre Henry, componist en geluidsverzamelaar; Ik wil niet dat mensen op stoeltjes zitten luisteren

De man met de camera is vanavond te horen en te zien in theater Luxor in Rotterdam, aanvang 20.00 u. De muziek is op cd verschenen: Pierre Henry, L'homme à la caméra, Mantra 092-642350. Messe pour le temps présent is heruitgegeven als Philips 456-293-2. Métamorphose, remixes van Henry's werk door Coldcut, Funki Porcini, St. Germain, Dimitri from Paris e.a., staat op Philips 456-294-2. De meest recente cd van Henry is Intérieur/Extérieur, Philips 462-132-2.

De nu 70-jarige componist en musicus Pierre Henry wordt vereerd als de uitvinder van de 'sample'. Hij legt zijn muziek vast op band, want: “Ik ben de enige die mijn eigen muziek kan vertolken, en ik vermoed dat dat bij Beethoven eigenlijk ook zo was.” Zo'n vertolking op band is vanavond te horen op het Rotterdamse Filmfestival.

Mijn geluiden moeten hun basis vinden in de werkelijkheid

Moderne muziek is teveel een verzameling snufjes geworden

Het huis van Pierre Henry loop je zó naar binnen, alsof dit twaalfde arrondissement van Parijs nog steeds een beetje een dorp is. De poort geeft toegang tot een tuintje, waar door Henry persoonlijk vervaardigde collages van hout en metaal hangen, opgebouwd uit afgedankte muziekinstrumenten en afgedankte electronische apparatuur - de nu 70-jarige componist-musicus houdt van uitstapjes naar andere kunsten. De toegankelijkheid van zijn woning is geen toeval: door de kamers van deze tussen hoge flatgebouwen verloren, oude plattelandswoning trokken in het kader van het laatste Festival d'automne in Parijs tweeduizend luisteraars naar Henry's compositie Intérieur/Extérieur. De kunstenaar maakt het graag gezellig voor zijn luisteraars.

Een assistente leidt ons naar een kamer zonder ramen die wel een verfje kan velen: de studio, waar Henry sinds de jaren vijftig zijn zeer omvangrijke oeuvre van 'musique concrète' heeft vervaardigd. Overal spoeltjes geluidsband, voorzien van duistere opschriften: 'God 1', 'God 50', 'Dof zeil'. Verder veel speakers, grote bandrecorders en apparaten vol knoppen en schakelaars. Van de ergonomische stroomlijning van de moderne electronica geen spoor - of het moesten die drie digitale DAT-recorders zijn waarop Henry zijn eindresultaten vastlegt.

Zo vol is het vertrek dat Pierre Henry, ofschoon klein van stuk, alleen behoedzaam zijn stoel kan bereiken. Ondanks zijn gevorderde leeftijd en zijn bondige, precieze manier van spreken, heeft hij vaag iets van een hippie uit de jaren zeventig. Zonder moeite kun je je voorstellen dat deze componist van moderne muziek - wars van het gestrenge academisme veel zijner collega's - van zijn concerten in de jaren zeventig bij voorkeur een feestelijke happening maakte: hallen vol matrassen, psychedelische lichteffecten, dat werk.

“Ik heb een hekel aan een situatie waarbij mensen op stoeltjes zitten en braaf luisteren naar wat uit de speakers komt”, zegt hij. “Ik probeer het publiek te raken, en daarvoor is muziek alleen niet toereikend. Een theatrale of rituele omgeving kan er zeer toe bijdragen dat de muziek aankomt. Ik streef naar een profane mis, naar een communie”.

In het streven naar theatrale, of rituele begeleiding van zijn muziek heeft Henry vaak aansluiting gezocht bij choreografen: alleen al vijftien werken schreef hij voor Maurice Béjarts Ballet van de XX-ste eeuw. Talrijker nog zijn de composities voor film. “Film is mijn favoriete communicatiemiddel met het publiek, omdat er een grote gelijkenis bestaat tussen film en mijn muziek. Zoals cinema alleen bestaat bij gratie van de film als drager, zo bestaat mijn musique concrète alleen bij gratie van de band waarop hij is vastgelegd”.

Zijn werkwijze lijkt ook op die van een filmregisseur, legt Henry uit: stukjes werkelijkheid isoleren, uitvergroten, verkleinen, versnellen, vertragen, vervormen - en zodoende aan het materiaal een op het eerste gezicht of gehoor onvermoede betekenis, lading of gevoelswaarde geven.

Sample

Dat Henry vanavond, bij de uitvoering van zijn muziek bij Dziga Vertovs Man met de camera uit 1929, zijn plaats vindt op het ongetwijfeld jongste, of zo men wil hippe onderdeel van het filmfestival in Rotterdam, het multimediale Exploding Cinema, wekt al met al dus geen verwondering. Een generatie jonge makers van electronische muziek in de sfeer van house en trip-hop vereert hem trouwens als de uitvinder van de 'sample': zo'n klein stukje muzikaal citaat uit andermans werk dat, geïsoleerd, bewerkt en herhaald als basis voor nieuwe composities dient - aangevuld met andere geluiden van gesampelde, electronische, instrumentale of gezongen herkomst.

Henry heeft deze techniek niet op zijn eentje uitgevonden. Na zijn opleiding aan het Conservatorium in Parijs (leermeesters onder ander Olivier Messiaen en Nadia Boulanger) kwam hij, op zoek naar het experiment, terecht bij Pierre Schaeffer. Die gaf bij de staatsomroep RTF leiding aan de afdeling muziek-experimenten. Gezamenlijk sloegen ze aan het ploeteren: stukjes geluid opnemen, ze transformeren door het vertragen of versnellen of achteruit draaien van de band, of het toepassen van filters, en uit die getransformeerde geluiden dan weer composities maken.

Uitvoering van de werken behelsde in die eerste jaren meestal het gebruik van meerdere draaitafels met platen waarop de basisklanken waren vastgelegd, en waartussen heen en weer werd gerend en geschakeld. Ook de loop, het onafgebroken ten gehore brengen van steeds dezelfde klank of hetzelfde motief, werd door Henry en Schaeffer uitgevonden, en wel in de vorm van een plaat met slechts één, gesloten groef.

Het waren spannende tijden, en de twee coryfeeën van wat inmiddels de Groupe de recherche musicales heette, hadden een duidelijk programma. Zoals de nouveau roman in de jaren vijftig korte metten wilde maken met de traditionele roman, en de nouvelle vague de cinema op nieuwe leest wilde schoeien, zeiden Schaeffer en Henry niets minder dan de 'vernietiging' van de bestaande muziek na te streven.

In 1958 kreeg het duo ruzie. Schaeffer meende dat de serieuze moderne muziek het vooral van wetenschappelijk onderzoek en theoretiseren moest hebben. Henry hield teveel van knutselen met bandjes en machines, en was ook te veel een showman, om Schaeffer daarin te volgen. Hij begon voor zichzelf, in de studio/woning/concertzaal waarin we ons nu bevinden. Sindsdien noemt hij zijn muziek niet meer musique concrète maar musique électro-acoustique.

De muzikale inhoud is dezelfde gebleven: bewerkingen van geluiden - afkomstig van muziekinstrumenten, van de stad, de menselijke stem of uit andere bronnen - tot composities. Concreet, legt hij uit, is de muziek omdat hij bestaat op de door hem vervaardigde band. Abstract is de traditionele muziek, die van Beethoven laten we zeggen, die sinds de dood van de componist alleen nog maar op blad bestaat, en die dan telkenmale door musici naar eigen goeddunken wordt nagemaakt.

“Ik ben de enige die mijn eigen muziek kan vertolken, en ik vermoed dat dat bij Beethoven eigenlijk ook zo was. Maar jammer genoeg had hij geen manier tot zijn beschikking had om ons nu nog te laten horen hoe zijn werken klonken”. Met deze omissie heeft Henry overigens wel zijn voordeel gedaan: hij maakte een Tiende symfonie, gebaseerd op samples uit Beethovens negen symfonieën.

Elke plattelands-dj beschikt tegenwoordig over technische middelen die - op het eerste gezicht - hetzelfde doen als de geweldige machinerieën bij Henry thuis. Sample-machines slaan de gewenste fragmenten of geluiden in digitale vorm op harde schijf op, zodat al die bandjes overbodig worden. Sequenzers, voorzien van een beeldscherm, zetten alle bestanden in elke gewenste volgorde achter elkaar. Synthesizers produceren nieuwe geluiden, andere apparaten vervormen of bewerken het.

Voorbijrijdende auto

Pierre Henry ziet niets in zulke apparatuur, omdat kunstmatige geluiden hem geen belang inboezemen. “Mijn geluiden moeten hun basis vinden in de werkelijkheid, of ze nu zijn ontleend aan een muziekinstrument, een voorbijrijdende auto, de menselijke stem of iets anders. Het is ook leuk om in een op het eerste gehoor eenvormig geluid, al werkend, de polyphonie te ontdekken, of de overeenkomst - analogie zou ik haast zeggen - tussen geluiden van zeer verschillende herkomst”. Deze hardnekkigheid heeft tevens als voordeel dat hij onbekommerd kan blijven putten uit zijn duizenden bandjes tellende archief, waarin hij als enige sterveling de weg weet.

Intérieur/Extérieur, het intieme werk waarvoor hij vorig jaar zijn huis openstelde, bestaat bijvoorbeeld voor de helft uit archiefklanken, en voor de andere helft uit klanken die hij voor deze compositie nieuw heeft vervaardigd. Ook van het plunderen van door anderen gemaakte muziek - schering en inslag in de hedendaagse amusementsmuziek - houdt hij niet. Gemengde gevoelens koestert hij dan ook over de vorig jaar verschenen plaat Métamorphose, waarop het puikje van de internationale triphop-beweging Henry's ballet Messe pour le temps présent, geschreven in 1967 voor Béjart, bewerkte tot negen tracks moderne dansmuziek. “Ik vind het niet interessant - te schools, te naïef, onwaarachtig. Het was aardiger geweest om een minder ritmisch stuk van mij te nemen en daar dan iets heel nieuws van te maken”.

De platenfirma Philips was met dit idee gekomen toen voor de heruitgave van de Messe een nieuwe, digitale mastertape werd vervaardigd. De Messe, een verzameling van vijf stukken, gebaseerd op wat in de jaren zestig beat-muziek heette, was een van de eerste hits op het gebied van serieuze contemporaine muziek, nog voordat in de jaren zeventig Philip Glass op de proppen kwam. De gedachte was dat de nieuwe cd van het originele werk, en de remixes van jonge artiesten die Henry als voorbeeld en roerganger beschouwen, elkaar wederzijds commercieel konden bevruchten. De meester constateert met grimmige voldoening dat er van zijn versie vorig jaar meer zijn verkocht dan van de remixes.

Ook de meer serieuze moderne muziek van onze eeuw, vindt Henry, is teveel tot een verzameling van technische snufjes en trucjes geworden. “In dat opzicht ben ik een beetje teleurgesteld. Vroeger moest je als musicus een instrument beheersen, en in die traditie werk ik met mijn apparaten.” Maar bij veel moderne componisten heb je het idee, dat ze zich beperken tot het ontwerpen van levenloze schema's, vindt hij. In het bijzonder gruwt hij van composities waarvan de partituur uitvoerenden opdraagt binnen een bepaalde tijd wat te improviseren.

Van improvisatie zal vanavond bij de opvoering van Man met de camera dan ook geen sprake zijn. Ook uitvoerenden ontbreken: net als de andere werken van Henry staat dit spectaculaire werk, dat de experimentele film van Vertov in inventiviteit en gelaagdheid naar de kroon lijkt te willen steken, keurig op een DAT-band - tien sporen, die over 36 speakers zullen klinken. De assistente zal de snelheid van de band zonodig aanpassen aan die van de film. Henry zelf kan ontspannen in de zaal gaan zitten. Maar niet voor lang: de 70-jarige componist heeft een nieuw werk in de zin, dat gebaseerd zal zijn op het geluid van het draaien van de aarde zelf.