Geesten en helden op Japanse houtsneden; Zelden is een mens bozer

T/m 5 april. Van Gogh Museum, Amsterdam. Geopend: dag. 10-17 uur. Engelstalige catalogus: ƒ 59,95, vouwblad: ƒ 5,.

De Japanse houtsnijder Utagawa Kuniyoshi, wiens werk tentoongesteld wordt in het Van Gogh Museum, legde zich toe op het afbeelden van helden voor wie geen beest te link en geen golf te hoog was. “Anderhalve eeuw later kan men zich nog verbazen over de lef en de lust tot overdrijving van de maker.”

De vernuftige standjes op klein formaat dienden als instructieboekje voor jonge bruiden door Marianne Vermeijden

Het was volkskunst en waar het volk van hield werd traditiegetrouw nauwelijks gedocumenteerd. Daarom laat de geschiedenis van de Japanse houtsnede zoveel leemten zien. Er kwam een regiment van vaklieden aan te pas om dit type drukwerk te maken - dat weten we wèl -, maar naar oplagecijfers blijft het gissen.

Drukken was nog een heidens karwei. Om het reliëf voor hoogdruk te krijgen, moest elke lijn worden 'uitgesneden'. En voor elke kleur op een houtsnede diende een apart blok te worden gehakt. Was zo'n kleurblok eenmaal versleten, dan moest er een nieuwe komen: weer de tekening overtrekken, weer graveren, weer inkten en dan weer net zo lang met de hand op het papier drukken totdat het vlak bijvoorbeeld egaal indigo-blauw was, de kleur die de Hollanders hier destijds introduceerden.

Dat geduldige proces vergeet je gemakkelijk op de tentoonstelling Kuniyoshi; Helden en Goden - vanaf vandaag in het Van Gogh Museum in Amsterdam - waarmee de Society of Japanese Arts met wereldwijd zo'n achthonderd leden zijn 60-jarig bestaan viert. Wandelend door de blauwe zalen, langs 160 van die bonte bladen en drieluiken, veelal buitenlandse bruiklenen, lijkt alles 'eenvoudigweg' getekend en gepenseeld. Maar of het nu de sensibele sprieten van een garnaal waren, de haarlokken van een courtisane of een bundeltje visnetten - aan elke lijn kwam een chirurgisch graveursmesje te pas èn een stel ogen waaraan geen haarpunt ontsnapte.

Utagawa Kuniyoshi (1797-1861) maakte tussen de acht- tot tienduizend ontwerpen voor illustratieve en autonome houtsneden. Ze vonden afnemers in Edo, het huidige Tokio, met één miljoen inwoners toen de grootste stad van de wereld. Geen poëtische landschappen, zoals die van zijn tijdgenoten Hiroshige en Hokusai, die in het 19de-eeuwse Japan snel in de smaak vielen omdat de burgerij in grote getale op zoek ging naar onvergetelijke vergezichten en er ook nog een mooi souvenir van wilde hebben. Nee, de loopbaan van Kuniyoshi verliep trager. Hij moest zich eerst een specialisme eigen maken. En dat werd Het Heldendom, geënt op eeuwenoude Chinese en Japanse verhalen over onverschrokken krijgslieden en guerilla-strijders, in de clinch met het corrupte establishment.

Japan kende blijkbaar nogal wat van die helden. De eerste zalen vertellen meteen dat voor die laatmiddeleeuwse Che Guevara's geen beest te link en geen golf te hoog was. Samengebald op een A4'tje liet Kuniyoshi hen met zwaarden, spiezen en pijlen en bogen gevechten aangaan met mafiosi en vooral met dieren: van slangen tot spinnen, van draken tot fantasie-vogels. Maar de 'good' en 'bad guys' gaan steeds in zulke onwaarschijnlijk mooie kostuums gekleed, en de dieren hebben zo'n gave textuur als huid gekregen, dat je soms eerder naar een feestelijke tango voor een heer-met-karper lijkt te kijken dan naar een fataal gevecht met een monstervis.

Veel banger dan voor dat gestoei waren de Japanners destijds voor irreële machten, voor spoken en geesten die hen met voortekenen van onheil de stuipen op het lijf joegen. Ook die moesten te vuur en te zwaard bestreden worden. En dat zal niet altijd gelukt zijn. Want ze doen zich op de prenten voor als natuurverschijnselen, als wayang-achtige wolkformaties, reusachtige onder-water-ogen of verzengende rookpluimen.

Spookje

Vincent van Gogh, die zelf zo'n vierhonderd Japanse houtsneden bezat en er af en toe eens eentje in verf 'kopieerde', had ook zo'n spookje in zijn kamer hangen; de vergeelde punaise-gaatjes zitten er nog in. Een groot, maar kinderlijk spook dat uit de zee oprijst om een stel zeelieden te voorspellen dat er van hun boot geen spaan wordt heel gelaten.

In kwantiteit winnen de helden het op deze tentoonstelling van de spoken. Toch gaan ze in die beheerste maalstroom van lijnen, vlakken en wel acht, tien, twaalf kleuren steeds bijna te gronde. Bijna want uiteindelijk moeten ze natuurlijk overeind blijven; hun agressie staat daar garant voor. Zelden is een mens bozer dan op deze houtsneden. En altijd zien we weer de climax van de razernij, de oorbeet van Mike Tyson - bij wijze van spreken.

Het is die fixatie op het ultieme moment die niet alleen de scène kenmerkt, maar ook de compositie. Er werd met zoveel raffinement gewikt en gewogen om de toeschouwer de voorstelling in te zuigen, dat men zich anderhalve eeuw later nog kan verbazen over de lef en de lust tot overdrijving van de maker. Lef, door schijnbaar lukraak op wat voor formaat dan ook, een afbeelding af te snijden. En overdrijving, door bijvoorbeeld brugpijlers of loofbomen ten bate van de dieptewerking pal voor een sereen vergezicht te plaatsen; of door natuurfenomenen als sneeuw, regen, watervallen en lentebloesem tot in het abstracte te stileren.

Over Kuniyoshi zelf, 'de meester van de krijgersprent', is niet zo veel bekend. Hij was de zoon van een zijdewever en een energiek en daadkrachtig man. Zijn temperament bracht hem vaak in conflict met zijn concurrent Kunisada, die hem trouwens flink wist te pesten. Maar tegenover die onevenwichtigheid stond weer zijn vrijgevigheid. Altijd deelde Kuniyoshi de atelierwinst met zijn leerlingen en wie in de nesten zat, kon bij hem aankloppen. Dat laatste gold ongetwijfeld ook voor poezen, want te pas en te onpas zijn ze met hun wit-zwarte of roze vachtje liefdevol op de prenten ten tonele gevoerd - soezend bij een lezende geisha of als parodie op een typisch menselijk trekje.

Vooral bij de acteurs van het Kabuki-theater, de volkse pendant van het Nô-theater, voelde Kuniyoshi zich thuis. Gekleed in dezelfde kimono's die hij zelf in duizendvoudige patroonvariaties heeft getekend en die zijn getatoeëerde lijf bedekten, bezocht hij de toneelvoorstellingen, om later, in zijn studio, de acteurs op een theatraal hoogtepunt te portretteren.

Robert Schaap, grafisch vormgever en verzamelaar van Japanse prenten, wil als samensteller van deze tentoonstelling niet alleen laten zien dat Kuniyoshi in het sterk geïsoleerde Japan vreemd genoeg de 'westerse diepte- en schaduwwerking' wel eens toepaste, maar dat hij ook veel meer genres beoefende dan zijn alom bekende krijgersprenten. Vandaar die serie acteursportretten, die, behalve esthetisch genot en hysterie, de westerling niet zoveel te zeggen hebben. Veel Japanners van nu kennen de achterliggende verhalen trouwens ook niet meer, vertelt Schaap. En de meegedrukte teksten die op vele houtsneden voorkomen, zullen hen grotendeels ontgaan.

Korte nek

Welke Japanner zal trouwens vandaag de dag nog naar een geliefde zoeken met een lang gezicht, een korte nek en afhangende schoudertjes. Een schoonheidsideaal waarvoor de mannelijke Kabuki-acteurs model stonden, maar dat Kuniyoshi gelukkig snel in zijn serie Mooie Vrouwen losliet. Hij laat de schoonheden van alles doen in feërieke omgevingen; ze spelevaren, ze zitten thuis behaaglijk te lezen, ze drentelen door alle seizoenen, zoals op een serie drieluiken. Maar geen van hen kreeg een eigen gezicht mee als bijvoorbeeld de acteur Nakamura Utaemon IV.

Van diens herdenkingsportret zijn bij toeval ook twee inktschetsen teruggevonden. Ze hangen nu naast de uitgewerkte houtsnede. Het is niet alleen de weelde aan kleuren en druktechniek die dit overzicht bezienswaardig maakt, maar ook die zeldzame combinaties van voorstudie en drukresultaat. Vlot en los uit de pols schetste Kuniyoshi even een gevechtsscène of een schroomvallige courtisane met waaier. Het drukprocedé mag dan grotendeels tot het verleden behoren, de schets van toen, met al die terloopse onvolmaaktheden, verschilt alleen in thematiek van wat er aan eigentijdse tekenkunst te zien is.

In het laatste deel van deze tentoonstelling, die zal doorreizen naar Philadelphia, zijn nog wat losse tekeningen uit Kuniyoshi's atelier samengebracht. Het is de vraag of deze niet gesigneerde bladen van de meester zelf zijn of van zijn leerlingen. We zien hier verder nog wat houtsneden van landschappen, die nauwelijks onderdoen voor die van Hokusai, en een serie erotische prenten. De vernuftige standjes, op klein formaat, werden gebundeld en dienden als instructieboekje voor jonge bruiden. De Japanse man, zo blijkt, heeft altijd een penis ter grootte van een boomstronk en de Japanse vrouw dient zich in bed als slangenmens te ontpoppen. Het feit dat er ook een redelijk gruwelijke verkrachtingsscène in voor kon komen, maakt de educatieve doelstelling van de boekjes enigszins twijfelachtig. Volgens deskundige Robert Schaap zullen zich onder de 'lezers' ook nogal wat erotica-verzamelaars, eerder porno-fans, hebben bevonden.

Maar wat destijds menig Japanner nog meer opwond dan schaamhaar, waren de 'puzzel-tekeningen', samengesteld uit menselijke lichamen. Tezamen vormden ze een Arcimboldo-achtig portret of -figuurstudie. En ook dat is weer zo'n vreemd genoegen waar de westerling zich nauwelijks in zal herkennen. Hoewel! Kijk eens goed naar die ene houtsnede van een krijger wiens zwarte kimono bezaaid is met witte schedels. En zie hoe elke schedel gecomponeerd is uit talloze poezenlijven en hun kroost. Zelden stemt een schedel je zo vrolijk.