Ernst Kris en Otto Kurz: Die Legende vom Künstler

Ernst Kris en Otto Kurz. Die Legende vom Künstler. Ein geschichtlicher Versuch. Suhrkamp 1995, ƒ 21,65

Het boekje is zelf een legende. Kenners refereren eraan als 'geniaal in zijn compactheid', 'economisch en informatief geschreven' en zelfs als 'een openbaring'. Het voorwoord (bij de Engelstalige editie van 1978) van de beroemde Ernst Gombrich, de auteur van de kunsthistorische bestseller The Story of Art, is bovendien een aanbeveling die nieuwsgierig maakt. Het werk heeft iets van een 'Geheimtip', al is het al 64 jaar oud.

Die Legende vom Künstler, Ein geschichtlicher Versuch verscheen voor het eerst in 1934 in Wenen. Ernst Kris, geboren in Wenen in 1900 was toen conservator van het Kunsthistorisches Museum aldaar, maar werd psychoanalyticus. De zeven jaar jongere Otto Kurz was verbonden aan de Warburg bibliotheek, een grote encyclopedische instelling op cultuurhistorisch gebied, die kort voor de oorlog van Hamburg naar Londen verhuisde. Kris had een studie gemaakt van de Oostenrijkse beeldhouwer Franz Xaver Messerschmidt, die bekend is geworden door de waanzinnige, groteske koppen die hij maakte, maar die zelf ook niet geheel toerekeningsvatbaar was. Bij de bestudering van Messerschmidts leven was het Kris opgevallen dat er zoveel verhalen over hem bestonden die parallel liepen aan die van andere kunstenaars. Zo zou Messerschmidt herdersjongen zijn geweest (wat onjuist was), evenals de veertiende-eeuwse schilder Giotto. Kurz op zijn beurt had ontdekt dat een verhaal over Filippo Lippi in werkelijkheid aan een novelle ontleend was. Beide onderzoekers besloten deze materie verder te bestuderen en zo ontstond dit boek dat stereotype anekdoten en legenden (Grundvorstellungen) beschrijft die eeuwen lang over beeldende kunstenaars de ronde hebben gedaan. De auteurs hebben zich daarbij vooral gericht op Italiaanse en enkele Duitse schilders, beeldhouwers en architecten uit de Renaissance. Waar mogelijk herleidden ze de legenden tot verhalen uit de klassieke oudheid, die grotendeels weer bij Plinius in zijn Historia naturalis staan opgetekend. Voor de Renaisssance-kunstenaars raadpleegden ze vooral de kunstenaarsbiografen Giogio Vasari en Karel van Mander.

Na een inleiding volgt een hoofdstuk dat de jeugd van de kunstenaar en de ontdekking van zijn talent behandelt, daarna komt een hoofdstuk over de kunstenaar als magiër en tenslotte een hoofdstuk over de uitzonderingspositie van de kunstenaar in de maatschappij.

Menig schilder blijkt van eenvoudige komaf te zijn geweest. Niet alleen Giotto, maar ook Beccafumi, Zurbaran en Goya waren talentvolle schapenhoeders met een voorliefde voor tekenen. Ook in de oudheid bleken talloze kunstenaars geen leraar gehad te hebben en door oplettende voorbijgangers te zijn ontdekt. Dit aangeboren talent, dat zich onweerstaanbaar een weg naar buiten moest banen, maakte een snelle sociale stijging van de autodidact mogelijk. Was het eenmaal zover, dan ging de kunstenaar ook om met de hoogsten in rang, met koningen, keizers, kardinalen en pausen, die zich zelfs dienstbaar opstelden. Keizer Maximiliaan I hield de ladder voor Dürer vast, Karel V raapte een penseel op voor Titiaan. Het talent en die hoge sociale vlucht deden de kunstenaar uitstijgen ver boven de gewone mens. Hij werd voorwerp van aanbidding, als held of zelfs als god.

Dat laatste houdt ook direct verband met de kunst van de kunstenaar en wel in de realistische, afbeeldende traditie. De kunstenaar imiteerde, evenaarde of overtrof de natuur. Bij deze bezigheden zien Kris en Kurz twee thema's. Het ene laat de schilder de mooiste elementen bijeenvoegen om een ideaal te krijgen. De Griekse schilder Zeuxis, (een soort Rembrandt van de klassieke oudheid, van wie zelfs geen fragment bewaard is gebleven), koos om het beeld van Helena te schilderen van vijf mooie vrouwen de fraaiste onderdelen en voegde die samen. Het andere thema is wat wij zouden noemen de optische illusie, waarbij schilders met elkaar wedijveren, of waarbij de leerling de meester weet te misleiden. De oudste daarvan gaat wederom over Zeuxis. Hij schilderde druiven waarop mussen afvlogen. Zijn collega Parrhasios vraagt Zeuxis daarop in zijn atelier te komen, omdat ook hij een fraai staaltje van schilderkunst wil laten zien. Zeuxis komt binnen en vraagt Parhasios het doek dat over de schildersezel hangt weg te halen, zodat hij goed naar het schilderij kan kijken. Wanneer blijkt dat het doek geschilderd is, geeft Zeuxis zich gewonnen.

De schilder is dankzij zijn illusionistisch talent een machtig mens, met magische gaven en daardoor tot hoogmoed geneigd, waardoor hij zich de woede van goden op de hals kan halen. De kunstenaar is dan ook niet alleen een bewonderde, maar ook een gevaarlijke figuur. Over die bewondering bestaat een traditie van standaardlegenden. De kunstenaar wordt bewonderd omdat hij uit zijn hoofd kan tekenen of schilderen, of omdat hij het zo snel kan; de kunstenaar is een virtuoos; hij is superieur aan zijn omgeving en uit zijn mond rollen aforistische wijsheden en woordgrappen; de kunstenaar vindt dat het kunstwerk zijn bezit is, dat hij naar believen mag vernietigen, bijvoorbeeld wanneer de opdrachtgever het niet goed vindt of het te laat vindt afgeleverd of als hij niet betalen wil. Ook over de in zijn werk verdiepte en van het dagelijks leven afgekeerde kunstenaar (met een zijlijn naar de verstrooide professor) bestaat een eindeloze reeks legenden.

Die Legende vom Künstler maakt een onevenwichtige, incomplete indruk. Het is vooral de aanzet tot een veel breder opgezet werk en de ondertitel heet dan ook een Versuch. Een gevoel van incompleetheid beving mij, omdat de Nederlandse schilderkunst na Van Manders boek (1604) ontbreekt, terwijl de Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en Schilderessen van Arnold Houbraken, die maar één keer wordt geciteerd daar volop materiaal voor had kunnen aanleveren. Een dergelijke Europese uitbreiding had me zinvoller geleken, dan het sporadisch verwijzen naar parallellen in de Egyptische, Indische of Chinese kunst. Ook een aantal negatieve stereotypen onbreekt: de weerbarstige, de opvliegende en de depressieve kunstenaar komen nauwelijks aan de orde. Evenmin als de kunstenaar die door financiële problemen en alcohol te gronde gaat. Dat laatste motief mocht zich vanaf de achttiende eeuw in grote populariteit verheugen en is via de negentiende eeuw (lekkende zolderkamertjes, tbc, miskenning en liefdesverdriet als standaardattributen) doorgedrongen tot in onze tijd.

Er zit ook iets gedateerds in de optimistische houding - maar hoe kon het anders in Wenen -, ten opzichte van de verklarende mogelijkheden van de psychologie en in het geloof in de universele mythen die in de gehele mensheid geworteld zouden zijn. Dat neemt niet weg dat dit boek overtuigend de hardnekkigheid van al die verhalen benadrukt en dat het je bovendien doet realiseren hoezeer de positie van de kunstenaar en de houding van het publiek ten aanzien van zijn werk gewijzigd is. De abstracte kunst heeft anekdotes over de werkelijkheid weergevende schilderkunst uitgeroeid. Ook denkt men niet zo gauw meer aan goddelijke inspiratie of lees je zelden over kunstenaars die hun eigen werk vernietigen. Toch leven bepaalde attitudes ten opzichte van de kunstenaar nog voort. Kunstenaar worden door hun bewonderaars nog altijd gezien als mensen van een andere, hogere orde die zeer wijs, zo niet visionair zijn. Als ze in interviews niet uit hun woorden komen of orakeltaal uitslaan dan wordt dat toch altijd devoot en letterlijk opgeschreven of uitgezonden.

Maar er zijn natuurlijk na de Renaissance nieuwe kunstenaarslegenden ontstaan. De kunstenaar als 'gevaarlijk individu' leeft voort in de kunstenaar als ontregelaar van de samenleving. Hoe vaak wordt niet beweerd dat de kunstenaar door middel van zijn kunst zou moeten 'schokken', 'confronteren', 'op losse schroeven zetten' of meer van dat soort clichés. Wat zelden meer opduikt, is de nadruk op de eenvoudige komaf. Die legenden zijn tegenwoordig voorbehouden aan voetballers en popmusici.