Een gekwelde ziel in een mishandeld lichaam

Thomas Bernhard: In een tapijt van water. Gedichten, gekozen en vertaald door Menno Wigman. Atlas, 109 blz. ƒ 35,-

Thomas Bernhard, de grote toneelschrijver, is ooit begonnen als dichter. Waar zijn drama's drammen, daar klaagt en dreint zijn poëzie: 'Uit zwarte kruiken drinken we koorts,/ we dromen de maan en de sterren/ en drinken en dragen smart'.

De dichter Thomas Bernhard lijdt - en beschikt nog niet over het tegengif van de humor. Vertwijfeld roept zijn Ik God in de hemel aan, de enige die misschien naar hem luistert. 'Ik ben zo alleen/ o Heer/ en niemand drinkt mijn ziekte/ niemand staat aan mijn bed/ en neemt mijn pijn weg/ of stuurt me wolken/ en groene rivieren/ die naar de zee toe rollen'. Is het de schoonheid van zulke regels of ook een beetje Bernhards biografie waardoor je als lezer aan het snotteren slaat?

Kennen we deze biografie, dan weten we in elk geval dat de lijdende jongeman niet poseert. De poëzie van Thomas Bernhard, en trouwens heel zijn werk, is onmiskenbaar voortgekomen uit een gekwelde ziel en een mishandeld lichaam. Zijn eerste serieuze gedichten schreef hij in een sanatorium waar meer gestorven werd dan genezen; in het autobiografische geschrift Der Atem vertelt hij hoe men hem, een knul van negentien, eens naar de dodenkamer reed omdat hij door de artsen reeds was afgeschreven.

Zijn longziekte is nooit echt overgegaan en voor de oudere Thomas Bernhard werd de kunst van het overdrijven een kunst van het overleven. Voor de jonge Thomas Bernhard daarentegen had de hel waarin hij zich bevond helemaal geen groteske of geestige kanten en aan de titel van zijn debuutbundel moet hij zwaar hebben getild. Auf der Erde und in der Hölle heette die bundel: hij verscheen in 1957, zes jaar na Bernhards vlucht uit het gehate sanatorium en twaalf jaar na de oorlog.

Een oorlog die de ademhalingsorganen van een individu had verwoest en ook het hart van Salzburg. Een oorlog die zelfs nog slachtoffers eiste toen de bommenwerpers allang waren verdwenen. De grootvader en de moeder van Thomas Bernhard stierven beiden aan de totale staat van uitputting waarin de oorlog hen had gebracht.

Dus wanneer de jonge dichter het over 'rode kwalen' en over 'sarcofagen' heeft, wanneer hij, net als in zijn latere werk, eindeloos voortborduurt op de thema's dood en vernietiging, dan stelt hij zich heus niet aan. En afgezien van zijn levensgeschiedenis is Bernhards poëzie ook te intens om schouderophalend terzijde te worden gelegd. Ze doet denken aan de zwelgende koralen uit de Mattheüs-Passion van Bach, aan het gepsalmodieer van miskende heiligen, aan de keerzijden van de stralende barok. Soms identificeert de Ik zichzelf met Jezus; tegenover de Gekruisigde staat dan het volk dat Hem van alles naar het hoofd slingert en toch vergeven wordt: 'Ik zal voortgaan en hun voeten wassen/ en hun wijn in nieuwe kruiken gieten!'

Origineel is het taalgebruik van de ongeveer vijfentwintigjarige lang niet overal; de poging om traditionele natuurpoëzie te verbinden met een troosteloos expressionisme à la Georg Trakl levert weleens voor de hand liggende combinaties op zoals bruin gras, een klagende maan of, al ietsje beter, snikkende vroegtes. Maar er zijn ook momenten waarop het landschap gaat schuiven en de boerse Oostenrijkse Heimat iets boosaardigs krijgt: 'Vogels verstoorden de wintertrek van mijn eenzaamheid/ en berichtten van verlaten bordelen, wijn/ en kinderlijkjes...' En plots verrast een flard van onorthodoxe beeldspraak. 'Ik huiver als de hond van de bakker/ die met zijn staart langs muren schuurt'.

Er wordt sowieso veel gehuiverd in de gedichten van Thomas Bernhard. Koud zijn de bergen en kil de mensen die erin wonen, en je denkt automatisch aan Bernhards eerste roman Frost. Frost was een voor die tijd ongehoord radicaal boek en wellicht daarom overvleugelde het bij zijn verschijnen in 1963 direct de poëzie. Pas in 1991 werd Auf der Erde und in der Hölle herdrukt, samen met de bundels In hora mortis en Unter dem Eisen des Mondes uit 1958 plus een paar losse gedichten. Uit die Gesammelte Gedichte maakte vertaler Menno Wigman een keuze. Het werkje In een tapijt van water bevat tweeëndertig gedichten die elk zowel in het Nederlands als in het Duits zijn afgedrukt. Dat is maar goed ook, want de vertalingen zijn niet alle even betrouwbaar.

Vooral in de eerste helft van zijn bloemlezing slaat Wigman de plank nogal eens mis. 'Ik zal me op het marktplein plaatsen': da's toch wat krakkemikkig uitgedrukt. En zaken sluit je in het Nederlands niet af, je doet ze. Erger dan dergelijke al te letterlijke overzettingen zijn de interpretatiefouten. Het poeem 'Aschermittwoch' bijvoorbeeld luidt als volgt: 'Ich möchte hinausgehen/ nach der Nacht,/ und meine Hände und meine Lippen/ reinigen, / ich möchte mich reinigen/ an der Sonne und/ an den Gräsern -// Aber es regnet,/ und meine Gräser/ sind braun und alt -'. Wigman maakt van de openingsregels: 'Naar buiten wil ik gaan,/ de nacht in'. Maar is de nacht niet reeds voorbij wanneer het dichterlijke Ik begint te spreken?

Later, eerlijk is eerlijk, komt de vertaler meer in schwung. 'De ogen zwart en bloesemmoe het hoofd' klinkt minstens even goed als: 'die Augen schwarz und müd die Stirn vor Blüten'. Een laatste vergelijking. Op de linker bladzij lezen we: 'Unheimlich kehrt er in den Morgen/ zurück und hält noch vieler Toter Traum in seinen Händen.' En op de rechter bladzij: 's Ochtends keert hij als een spook/ terug en houdt nog vele dodendromen in zijn handen.' Nooit geweten dat je gesomber in de Nederlandse taal net zo compact kunt verwoorden als in het doorgaans zoveel efficiëntere Duits.