Dilemma in de zorg

ALS SOCIALE verhoudingen ongrijpbaar lijken, klinkt al snel het woord 'tweedeling'. Zo'n etiket stelt gerust. Het schetst een onafwendbaar proces en levert tegelijkertijd een moreel oordeel.

Sinds kort hebben we er een nieuwe 'tweedeling' bij: in de gezondheidszorg. Omdat het met de 'wachtlijsten' de afgelopen jaren uit de hand is gelopen en met de economie precies het omgekeerde is gebeurd, staat het gelijkheidsideaal in de zorg nu onder druk. Dat de werkgevers, die tegenwoordig de ziektewet moeten betalen, en de werknemers, die 'employabel' moeten zijn, er geen zin in hebben op te draaien voor een gebrekkig management of het tekort aan artsen is op zichzelf niet verbazingwekkend. Op je beurt wachten ondergraaft de productiviteit en je kan er niemand een rekening voor sturen.

Desondanks is de 'tweedeling' in de Tweede Kamer nu aan de orde van de dag. Deze week werd er weer een vergadering aan gewijd. De meeste parlementariërs spreken er schande van. Waarvan eigenlijk? Van de consequenties van hun eigen wetgeving in de sociale zekerheid? Of van de onvermijdelijke reacties daarop? Het is niet duidelijk. Evenmin helder is hoe het komt dat de wachtlijsten, die aan de basis liggen van de nakende 'tweedeling', maar niet verdwijnen.

OP VERZOEK VAN minister Borst (Volksgezondheid) wordt nu onder leiding van professor Roscam Abbing, hoogleraar sociale geneeskunde in Nijmegen, naar middelen gezocht om het probleem de baas te worden. Trefwoord: doelmatigheid. Volgens Roscam Abbing moet er in twee richtingen worden gedacht. De medisch specialisten zouden zich bij hun behandelingen aan de richtlijnen moeten houden en de ziekenhuisdirecties zouden hun budgetten meer moeten gaan toedelen ten gunste van die artsen die een overvolle wachtkamer hebben. Zo niet, dan gaan de privéklinieken gouden tijden tegemoet, verbodsbepalingen van de minister ten spijt.

Voor zo'n ommekeer in het beheer van de gezondheidszorg is “suïcidale moed” nodig, stelde Roscam Abbing woensdag op voorhand al vast. De autonomie van de medici is in Nederland immers zo diepgeworteld dat zelfs een verlichte despoot op het departement van Volksgezondheid haar niet zou kunnen doorbreken. Volgens minister Borst bijvoorbeeld lopen er zoveel 'regisseurs' in de gezondheidszorg rond dat het zinloos is lang stil te staan bij de wens tot centrale regie. Haar behoedzame benadering van de specialisten, die zich nu schoorvoetend schikken naar de ziekenhuisdirecties, was daarvan een uiting.

MAAR WELLICHT IS het ook zinvol niet alleen in bestuurlijke termen te blijven denken. Gelet op de voortgaande vergrijzing en de evenmin te stuiten dynamisering van de sociale verhoudingen, staat de gezondheidszorg voor een dilemma. Als ze vasthoudt aan haar klassieke status moet ze ook de maatschappelijke consequentie daarvan accepteren. De vermeende 'tweedeling' is dan gewoon een onevenwichtigheid in de markt, zoals er wel meer zijn. Wil ze daarvoor het hoofd niet buigen, dan zal de medische sector zich moeten bezinnen op een nieuwe rol. In een samenleving waar de vraag naar gezondheidszorg eerder toe- dan afneemt, moet het aanbod zich aanpassen. De komende eeuw zal de arts een 'gewoner' beroep uitoefenen, weliswaar een hooggekwalificeerd vak waarvoor hard moet worden gestudeerd, maar tegelijkertijd ook minder verheven en mysterieus dan tot nu toe.

In dat tweede scenario is niet alleen efficiënt beheer van de gezondheidszorg nodig, maar ook meer artsen. Het vergt tijd, geduld en tact om dat te onderkennen. Maar voor de nieuwe minister van Volksgezondheid hoeft dat niet per definitie op zelfmoord uit te draaien. Sinds de landelijke huisartsen alarm hebben geslagen over een mogelijk tekort aan artsen in de eerste lijn, begint het klimaat onder medici zelf immers al een beetje te kenteren.