De rijkdom van het heidendom

Ramsay MacMullen: Christianity and Paganism in the Fourth to Eighth Centuries. Yale University Press, 282 blz. ƒ 78,75

Dat er met geschiedenis politiek en propaganda te bedrijven viel, wisten de oude kerkvaders als geen ander. De eerste grote kerkhistoricus, de vroeg vierde-eeuwer Eusebius van Caesarea, vond al dat men zich bij de geschiedschrijving moest beperken tot wat nuttig was voor de verspreiding van het geloof. De rest kon achterwege blijven. Zijn op- en navolgers hebben zich hieraan gehouden en daarmee de toon gezet voor latere historici die de opkomst van het Christendom en de val van het Romeinse rijk hebben beschreven. Zij twijfelden niet aan de kijk van hun voorgangers, de kerkvaders, die niet tot welke verdraaiing van de werkelijkheid dan ook in staat konden worden geacht. Niemand twijfelde aan het waarheidsgehalte van deze traditionele literaire bronnen. Hun verhalen van de succesvolle bekering van de heidense oudheid en de vernietiging van haar altaren zouden later model staan voor de kerstening van de Derde Wereld.

In de moderne tijd is men de geschiedenis van de oude kerk en de late keizertijd geleidelijk aan losser van elkaar gaan zien. Zo kreeg men minder belangstelling voor het geloof van Constantijn de Grote en meer voor zijn politieke vernuft. Toch werd de geschiedenis van de late oudheid tot in deze eeuw nog vrijwel uitsluitend beschreven in het licht van een triomferend Christendom. Toen de historicus Geffcken zich in 1929 met zijn studie Der Ausgang des Griechisch-Römischen Heidentums voorzichtig geïnteresseerd betoonde voor de lotgevallen van de heidenen, kreeg hij de wind van voren. Uit de hoek van de theologie, waar de kerkgeschiedenis nog steeds is ondergebracht, verweet men hem dat hij in zijn werk de oorzaken 'des christlichen Endsieges' verwaarloosd had en de kwestie van het diepste wezen van Christus' persoonlijkheid niet aan de orde had gesteld. In een nawoord bij de tweede druk verdedigde Geffcken zich met de opmerking dat hij de theologische voorstelling van de 'restlosen Triumph des Christentums' zo langzamerhand wel kende en had willen onderzoeken hoe het nu met het heidendom was afgelopen.

In tegenstelling tot Geffcken beoogt de Amerikaanse historicus Ramsay MacMullen met zijn studie Christianity and Paganism in the Fourth to Eighth Centuries een herziening van het traditionele beeld van de kerstening van het Romeinse rijk en van de rol die het heidendom speelde in de totstandkoming van de nieuwe, christelijke cultuur. Ramsay MacMullen is geen anti-christelijke scherpslijper. Integendeel, hij is een gerespecteerd historicus, die tot zijn pensionering hoogleraar in de oude geschiedenis was aan de universiteit van Yale. Honderddertig bladzijden met bronvermeldingen onderbouwen zijn betoog dat een nieuwe analyse van de kerstening van het Romeinse rijk biedt. Zijn bevindingen tonen aan wat al eerder in recente studies als die van Bowersock en Trombley werd aangekondigd: het oude beeld deugt niet.

De redenen daarvoor klinken bekend. De literaire bronnen waren partijdig jegens niet-christenen en de latere historici die ze gebruikten eveneens. Ook ontbrak het tegenwicht van heidense en ketterse geschriften, omdat die in de late oudheid al uit de bibliotheken en dus ook uit de geschiedenis waren weggezuiverd. Naast een indrukwekkende muur met Griekse en Latijnse kerkvaders staat thans een bleek plankje met de werken van nog maar drie heidense geschiedschrijvers. De werken van ketterse christenen is het niet veel beter vergaan.

In de tweede helft van deze eeuw is de aandacht onder niet-theologisch gevormde historici voor de late oudheid gestaag gegroeid. Niet uit geloofsijver maar uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid lazen ze, kritischer dan hun vrome voorgangers, de oude kerkvaders. Ze waren ook minder bevooroordeeld ten opzichte van niet-christelijke auteurs. Bovendien hadden ze nog twee nieuwe, zeer belangrijke bronnen tot hun beschikking: de epigrafiek, die opschriften verzamelt en interpreteert, en de archeologie, die in de twintigste eeuw een volwassen wetenschap was geworden. Voor het eerst kon de wereld van de woorden worden getoetst aan de wereld van de dingen.

Het traditionele beeld begon scheuren te vertonen. Verbluft stelde een Franse onderzoeker vast dat 'Augustinus niet in een christelijke wereld geleefd heeft'. En dat men in Noord-Afrika 'bij de ontelbare inscripties die het stedelijk leven oproepen geen enkele toespeling op het christendom heeft gevonden.' De veelgeprezen en niet zo lang geleden vertaalde Augustinusbiografie van Peter Brown uit 1967 ademt dan nog een geheel andere geest. Daar geldt het traditionele verhaal over de late oudheid, waarin het christendom ouderwets op alle fronten zegeviert. Wat er rest van het dodelijk vermoeide heidendom lijkt zich af te spelen op een andere planeet. MacMullen laat nu zien dat een dergelijke visie niet langer standhoudt, dat christen en niet-christen niet in strikt gescheiden enclaves woonden en elkaar evenmin op religieus gebied uit de weg gingen, zoals de christelijke kopstukken verlangden. Ze bleven gezamenlijk hun traditionele feesten en hoogtijdagen vieren en geen kerkleider - ook Augustinus niet - die er vat op kreeg.

Hoe was het christendom aan zijn aanhang gekomen?

Volgens MacMullen is dat te verklaren uit de algemene intellectuele neergang in het rijk na het bewind van keizer Diocletianus (dus na ca. 300). De staatshervorming van deze energieke soldatenkeizer had een explosieve groei van het aantal hoge ambtenaren tot gevolg: van de circa driehonderd carrière-ambtenaren onder keizer Caracalla (211-217) tot dertig- à vijfendertigduizend in het latere rijk. Omdat deze functionarissen lang niet allemaal uit de oude rijkselite konden worden gerecruteerd, waren ze meestal van nederiger komaf dan hun voorgangers. Ze namen hun wereldbeeld mee naar de top van de samenleving, die daardoor ingrijpend van karakter veranderde. MacMullen: 'The radical expansion of the upper ranks of society produced an equally radical development in the history of thought.' De rationalistische cultuur van de oude Romeinse elite werd verdrongen door bijgeloof, anti-intellectualisme, mystiek en angst voor demonen, zaken die altijd al in de provincie en onder kleinburgers konden worden aangetroffen maar nu ook aan het hof en in de bestuurlijke elite algemeen werden. Daar begon na de bekering van Constantijn de Grote en het verkrijgen van een bevoorrechte positie dan ook de opmars van het christendom.

De nieuwe gedaante van het Christendom in deze periode is gezien door de ogen van MacMullen niet altijd even vleiend voor het geloof, maar na meer dan zestien eeuwen van louter triomfalisme kon dat natuurlijk niet anders. Voor wie aan de traditie hangt en altijd gedacht heeft dat zijn geloof zijn aanhang heeft verworven dankzij een schitterende, onweerlegbare Waarheid, moet het bijvoorbeeld pijnlijk zijn te lezen dat een gezant van keizer Justinianus in de zesde eeuw trots zijn opdrachtgever meldde dat hij tachtigduizend van diens heidense onderdanen had weten te dopen, zij het pas nadat hij de dopelingen elk een aanzienlijk bedrag had uitgekeerd. En dit is maar een van de vele ontluisterende bekeringsgeschiedenissen, want mensen vielen ook in de late oudheid nu eenmaal niet zo gemakkelijk van hun geloof. Natuurlijk wilde men best in een nieuwe Waarheid geloven, maar het leven was meer dan alleen dat. Het bestond ook uit dood, geboorte, rampen, ziektes, honger, liefde, feest, muziek en dans en daarbij had je niet zoveel aan een Waarheid alleen. Het waren dan ook vooral de mirakels en de wonderbaarlijke genezingen die in christelijke kring aan de orde van de dag waren waardoor de nieuwkomers werden aantrokken. Later was een kans op een maatschappelijke carrière een goede reden om je te bekeren, maar veel meer had het christendom eigenlijk niet te bieden. Het nieuwe geloof bestond uit een aantal leerstellingen, een verhaal en een vijand (de goden van andersdenkenden), maar kende bijvoorbeeld geen eigen beeld- en symbolentaal. De sacrale wereld van het christendom was op een handvol woorden na kaal en had geen culturele inhoud van belang. Het heidendom, zo betoogt MacMullen, bezat daarentegen een brede cultuur en vulde als vanzelf met haar tradities en rijke folklore de leegte in het christendom op en veranderde daarmee ingrijpend het aanzien van de kerk van de late oudheid. Ook hier gold dat de veroveraar op zijn beurt weer door het veroverde werd veroverd. Het was dit assimilatieproces, de paganisering van de kerk, waartegen kerkleiders als Augustinus tevergeefs streden. Het christendom bracht dus geen radikaal nieuw begin. Voor het merendeel van de mensen veranderde er weinig. Omdat het maatschappelijk steeds onaantrekkelijker werd heiden te zijn kreeg het christendom een toestroom van nieuwe gelovigen te verwerken die later vooral op het platteland woonden. Ze waren bereid zich te laten dopen maar wilden alles wat hun van hun heidense geloof altijd goed gediend had niet in de steek laten. Later zou men dit minachtend 'bijgeloof' gaan noemen, dat wil zeggen een geloof dat naast het officiële getolereerd moest worden omdat het onuitroeibaar bleek.

En zo verkruimelt het fiere beeld dat het christendom in de loop der tijden van haar eerste eeuwen had opgebouwd. Voor het eerst horen we van heidenvervolgingen, die niet onderdoen voor de christenvervolgingen. We zien hoe een bisschop onwelgevallige boeken laat verbranden en hoe een ander de hand van een kopiist, die een heidens boek had overgeschreven, laat afhakken. Voor wie geen christen was, en dat waren er nog velen, had de wereld van de vijfde en zesde eeuw totalitaire trekken.