De geestelijke nood van een hulpverlener

Voorstelling: Stilleven, van Karst Woudstra, door Het Toneel Speelt. Regie: Albert Lubbers; decor: Floor Oskam; licht: Reinier Tweebeeke; muziek: Truus Melissen, Louis Ter Burg. Spel: Hans Croiset, Cox Habbema, Rudolf Lucieer, Vincent Croiset, Ellis van den Brink. Gezien: 29/1 Stadsschouwburg, Amsterdam. T/m 1/2 aldaar; tournee t/m 28/4. Inl 020-5237767.

Een psychiater die zich op fatale wijze vastklampt aan zijn patiënt: dat is weer eens wat anders. Een omgekeerde wereld die het toneel vormt van het nieuwe stuk van Karst Woudstra, Stilleven. Woudstra heeft zich altijd al hevig geïnteresseerd voor mensen die in geestelijke nood verkeren, en net als zijn Zweedse vriend en collega Lars Norén ontleedt hij hun problemen met een psychoanalytisch geschoolde blik.

Stilleven, geschreven voor Hans Croisets gezelschap Het Toneel Speelt, berust op een waar gebeurde geschiedenis. Op 22 januari 1996 pleegde de 56-jarige psychiater Dirk Nicolaas Oudshoorn zelfmoord, nadat de kliniek waar hij werkte wereldkundig had gemaakt dat hij met een jonge ex-patiënt een relatie had onderhouden.

In Stilleven heet de psychiater Erik Scherpenzeel en als de voorstelling begint is hij al dood. “Mijn verhaal laat zich het best vertellen in de vorm van een toneelstuk”, zegt de dode Erik via een voice-over, en even later doemt de levende Erik vanuit het schouwburgdonker op: een oudere heer die op het lege toneel wat onzeker naar zijn eigen stem staat te luisteren.

Iemand brengt hem een stoel, andere personages verschijnen en gezamenlijk reconstrueert men de tragedie. Die neemt een aanvang op de dag van de begrafenis van Scherpenzeels vader, tevens de dag dat de ex-patiënt Eriks privé-leven binnenstapt.

Als een hongerig dier stort de psychiater zich op de jongen. Hij gaat met hem tennissen, laat hem zijn lievelingsboeken lezen, bezorgt hem een baantje aan huis en neemt hem mee op vakantie. Zijn fascinatie voor de gesjeesde student brengt hem dermate in verwarring dat hij vertwijfeld noodkreetjes uit. Maar niemand kan de hulpverlener helpen.

Zijn vrouw, zijn zwager, zijn slimme collega Marjan: zij dragen elk hun steentje bij aan de ontwrichting van het huwelijk en Eriks ondergang. Want ze hebben ieder hun eigen behoeften, die ze voor zichzelf en anderen verdedigen met het woordje liefde.

Liefde is bij Woudstra een verlangen dat botst met de verlangens van de anderen; liefde is iets waarmee men de ander misbruikt. Oeroude trauma's liggen aan dat misbruik ten grondslag, en in het geval van de patiënt en de psychiater hebben ze iets te maken met foute vaders.

Enfin, ik hoef niet alle details te verklappen, dat doet Karst Woudstra zelf al. Met de rechtlijnigheid van een echte hardcore-Freudiaan maakt hij het onbewuste bewust: wat zijn personages eerst totaal niet snapten, is hun op het laatst zo klaar als een klontje. Hij schenkt hen een ontledend verstand en berooft het publiek op die manier van een van de leukste dingen die je in het theater kunt doen, en dat is nadenken.

Uitleggeriger dan ooit is Karst Woudstra in dit stuk - alsof hij ons tot begrip wil dwìngen. Hij denkt de diepte in te gaan maar blijft aan de oppervlakte. Want de onthullingen van zijn protagonisten zijn in hun eenduidigheid zo plat als een dubbeltje. Waar is de magie en de dubbelzinnigheid van Een zwarte Pool en De stille grijzen van een winterse dag in Oostende?

Van een schoolboekjesachtige tekst als Stilleven kunnen ook de beste acteurs niet veel maken. Hans Croiset boeit dan nog het meest: zijn Erik Scherpenzeel is een gevoelige man met hier en daar een aanvalletje van razernij. Vincent Croiset, als de defensieve jonge patiënt, doet het ook best leuk. Maar Cox Habbema, de psychiatersvrouw, speelt tamelijk leeghoofdig het kiese meisje dat toch koket wil zijn. En de anderen, ach, die vallen niet op.

Dat ligt ook aan de overbeschaafde enscenering van Albert Lubbers. Getrouw aan de regieaanwijzingen van de schrijver laat hij de acteurs nu eens vertellen en dan weer min of meer ingeleefd spelen, maar úitleven mogen zij zich nooit. Dus ziet zelfs de zelfmoord eruit als een tableau'tje waaraan we hooguit een vaag esthetisch genoegen beleven.