De dichtkunst is een drug; Het leven van Michel Leiris

Op 5 donderdag februari organiseert Maison Descartes te Amsterdam i.s.m. uitgeverij De Arbeiderspers een literair debat over 'Michel Leiris als dagboekschrijver'. Inl. 020-6224936

Michel Leiris: In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922-1989. Selectie, vertaling en nawoord: Michel van Nieuwstadt. De Arbeiderspers, 408 blz. ƒ 59,90

'De wereld is een spiegelkast waarvan we de sleutel niet hebben: we zien onszelf wel in de spiegel, maar zonder te weten wat daarachter zit', noteerde de twee-en-twintigjarige Michel Leiris op 25 februari 1923 in zijn dagboek. Al jong droomde de toekomstige etnoloog ervan één voor één de laatjes van die kast uit te schuiven en er de inventaris van op te maken. Hij wilde, schreef hij, 'van buitenaf getuige zijn van wat zich binnenin hem afspeelde'.

In zijn dagboek verwoordde Leiris (1901-1990) vanaf 1922 nauwkeurig en feitelijk, met grotere of kleinere tussenpozen, wat hij in zijn innerlijk observeerde. Zijn journal was, zo schreef hij in 1968, een soort 'rommelkamer'. Het bevat droomverslagen, aforismen, opsommingen, flarden van gesprekken die hem waren bijgebleven, gedachten naar aanleiding van bijzondere ontmoetingen of gebeurtenissen, overpeinzingen over liefde en poëzie, meningen over actuele zaken, opmerkingen over fysieke ervaringen en, meer in het algemeen, bespiegelingen over het leven.

Wie verwacht dat het dagboek geheimen onthult of een glashelder beeld van diens eigenaar schetst, komt bedrogen uit. Het dagboek, dat in de oorspronkelijke Franse versie ruim negenhonderd bladzijden telde, bevat geen opzienbarende verrassingen. Het zijn brokken werk in uitvoering: de ruwe versie van fragmenten of ideeën die later hun definitieve vorm zouden krijgen in L'Age d'homme (1939) of in het vierluik La règle du jeu, dat bestaat uit Biffures (1948), Fourbis (1955), Fibrilles (1966) en Frêle bruit (1976). Door zijn associatieve en thematische benadering van de autobiografie als genre en door het belang dat hij hechtte aan de autonomie van het woord, aan poëzie, ritme en beeld, werd Leiris wel de grootste autobiografiespecialist sinds Proust genoemd.

Narcisme

Leiris was als etnoloog veertig jaar verbonden aan het Musée de l'Homme in Parijs en behoorde in 1937 tot de medeoprichters van het Collège de Sociologie. Toch beschouwde hij zichzelf in de eerste plaats als schrijver, zij het voor een klein publiek. Leiris schreef al zijn wetenschappelijke werk in zijn kantoor in het Musée de l'Homme, waar hij tot op hoge leeftijd een werkkamer ter beschikking had. Zijn voor publicatie bestemde, literaire werk schreef hij thuis, in de linnenkamer. Zijn dagboekaantekeningen noteerde hij in de slaapkamer die hij deelde met zijn vrouw Louise, voor wie het dagboek uiteindelijk bestemd was. Niet uit liefde of als herinnering aan hun jaren samen, maar uit een wanhopig soort narcisme, als 'monument voor als ik dood zal zijn'. Leiris voelde de absolute behoefte een soort 'getuige' van zijn leven te hebben. Alleen zij (Louise) kan deze 'getuige' of toeschouwster zijn, 'dankzij wie mijn persoon zelf pas werkelijk bestaat.' Louise Leiris, eigenaresse van Frankrijks prestigieuze kunstgalerie Kahnweiler, zou echter twee jaar voor haar man sterven en diens dagboek nooit lezen. Bezorger ervan werd Jean Jamin die besloot etnoloog te worden na lezing van Leiris' eerste boek, L'Afrique fantôme (een subjectief verslag van een expeditie naar Afrika), en die later ook een functie kreeg bij het Musée de l'Homme.

Leiris publiceerde zijn eerste gedichten en droomverhalen in 1924 in La revue surréaliste, het tijdschrift van het surrealisme. In 1929 distantieerde hij zich weer van deze stroming wegens het 'gebrek aan menselijkheid' van de surrealistische gedichten, zo lezen we in zijn dagboek. Het jaar 1929 moet, afgemeten naar het aantal dagboekpagina's dat er in de Nederlandse selectie aan wordt gewijd (43 van in totaal 346 bladzijden verdeeld over 67 jaar), een cruciaal jaar in Leiris' ontwikkeling zijn geweest. In dat jaar denkt Leiris veel na over de poëzie, die, zo blijkt wanneer hij zijn motieven voor het schrijven van gedichten analyseert, een 'schuilplaats' is, een hulpmiddel ter bestrijding van zijn obsessionele angst voor de dood. 'De dichtkunst', zo schrijft hij, 'moet worden opgevat als een drug of als een slechte gewoonte waarvan de enige rol is te doen vergeten.' Iedere artistieke activiteit komt voort uit de strijd tegen de dood, 'net zoals de enorme droogleggingen die de Hollanders in de zeventiende eeuw tot stand brachten. In het gevecht dat de kunst levert, wordt evenwel nooit iets duurzaam verworven. Alle overwinningen zijn illusoir.'

Gedeprimeerd noteert hij in 1937 in zijn dagboek dat hij ook door te schrijven niet kan ontsnappen aan 'de slijtage door de tijd, aan het pijn moeten lijden en aan de dood'. Toch gaat hij door met zijn dagboek, 'uit een verlangen naar onsterfelijkheid en naar postume roem' en, zoals vertaler en inleider Michel van Nieuwstad schrijft, omdat 'de autobiografische tekst voor Leiris primair en voor alles een register is waarin door archivering en opsomming de dood wordt uitgesteld.'

Borstpartij

Hoewel Leiris wel vermoed moet hebben dat zijn dagboek ooit gepubliceerd zou worden, schetst hij in zijn zelfportretten - weliswaar geschreven in periodes van depressiviteit - een allesbehalve geflatteerd beeld van zichzelf. Hij beschrijft openlijk zijn fysieke gebreken (korte benen, kromme rug, kaal hoofd) en andere tekortkomingen waarvoor hij zich schaamt, zoals zijn gebrek aan moed, zijn seksuele impotentie, zijn obsessionele angst voor ziektes en een aantal rare hebbelijkheden zoals het 'kneden van mijn borstpartij'.

Het naar binnengekeerde beeld dat Leiris schetst van zijn voortdurende verveling, van zijn 'moeizame pogingen opgewonden te raken van wat zich in zijn eigen hart, in zijn eigen hoofd, zijn eigen lichaam afspeelt' is 'niets anders dan een reusachtige masturbatie'. Zoveel narcisme, zoveel exclusieve aandacht voor de geringste innerlijke rimpelingen wekten bij mij na een tijdje toch enige wrevel. Ook zijn vriendschap met kunstenaars en intellectuelen als Jean-Paul Sartre, Pablo Picasso, Simone de Beauvoir, Georges Bataille, Joan Miro, André Masson en Francis Bacon, kan Leiris niet uit zijn verinnerlijkte beschouwingen halen. Hij verafschuwt zijn 'onbeduidende, saaie, laag-bij-de-grondse leven'. Hij heeft geen enkel begrip voor mensen die het leven de moeite waard vinden en tijdens de psychoanalyse waarmee hij in 1931 begon, komt een diepe haat jegens zijn moeder naar voren. Háár houdt Leiris verantwoordelijk voor zijn onvermogen werkelijk lief te hebben. Zíj draagt de schuld voor de schending van dat ene mensenrecht, het recht op het nietbestaan. In 1957 doet Leiris een zelfmoordpoging, waardoor hij in coma raakt, maar waaruit hij na drie dagen weer ontwaakt.

Wat misschien zijn grootste desillusie was noteerde Leiris in 1962 in zijn dagboek (en later in Fibrilles, 1966): 'Ik ben een “kunstenaar” geworden, waarvan ik toen ik heel jong was droomde het ooit te zijn, en waarvan ik wanhoopte het nooit te worden. Maar ik ben niet aan de andere kant van de spiegel uitgekomen. (-) Ik was de dupe van een illusie: de kunstenaar blijft gevangen in het leven, precies als al degenen die hem van buitenaf bekijken.'