Dagboeken van Victor Klemperer; Waartoe de mens in staat is

Hannes Heer (hrsg): Im Herzen der Finsternis. Victor Klemperer als Chronist der NS-Zeit. Aufbau Verlag, 220 blz. ƒ 42,- Victor Klemperer: Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945. Geselecteerd, vertaald, van noten en een nawoord voorzien door W. Hansen. Atlas, 1090 blz. ƒ 149,50 Victor Klemperer: Leben sammeln, nicht fragen wozu und warum. Tagebuecher 1918 bis 1932. Herausgegeben von Walter Nowojski, unter Mitarbeit von Christian Löser. Aufbau-Verlag (1996), 1880 blz. ƒ 162,55.

Victor Klemperer: Und so ist alles schwankend. Tagebücher Juni bis Dezember 1945. Herausgegeben von Günther Jäckel, unter Mitarbeit von Hadwig Klemperer. Aufbau Taschenbuch Verlag (1996), 254 blz. ƒ 26,70 De Engelse diplomaat en schrijver Harold Nicholson, auteur van een hele rij biografische schetsen en historische boeken, zei ooit na het fenomenale succes van de kort voor zijn dood uitgekomen dagboeken: nu ben ik na zoveel te hebben gepubliceerd beroemd geworden door een boek waarvan ik niet wist dat ik het geschreven had. Hetzelfde zou de joodse Duitse romanist en schrijver Victor Klemperer (1881-1960) hebben kunnen zeggen als hij nu nog geleefd had. Zijn dagboeken uit de twaalf jaar van het Derde Rijk, die in 1995 onder de titel Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten bij de voormalig Oostduitse uitgeverij Aufbau Verlag verschenen, hebben Klemperer postuum beroemd gemaakt. Meer dan 160.000 exemplaren van de cassette met twee delen (ruim 1500 bladzijden tekst) zijn ervan verkocht, dezer dagen wordt begonnen met de opnamen voor een dertiendelige televisieserie gebaseerd op het dagboek, een set van zes CD's waarop Udo Samel de notities voorleest ligt al enige tijd in de winkel. In Nederland is bij Atlas vorig jaar een prachtig uitgegeven selectie uit deze dagboeken verschenen, vertaald en verzorgd door W. Hansen.

Ook Klemperer schreef aan zijn dagboek, waarmee hij als zeventienjarige begon, nimmer met het idee dat het in deze vorm zou worden gepubliceerd. Anders zou hij zeker niet zoveel ruimte hebben besteed aan de ziektes en depressies van zijn vrouw en hemzelf, aan zijn gekrenktheden, zijn poezen en zijn seksuele behoeften. In de loop van zijn leven vroeg hij zich meer dan eens af waarom hij zo zorgvuldig vastlegde wat hij gedaan en beleefd had en pas zo'n dertig jaar na de eerste notities kwam hij erop dat zij als materiaal voor een te schrijven autobiografie zouden moeten dienen. Het eerste deel van die autobiografie schreef hij nog: Curriculum Vitae. Erinnerungen eines Philologen 1881-1918, pas jaren na zijn dood in de nadagen van de DDR in 1989 in Oost-Berlijn gepubliceerd en toen niet in brede kring opgemerkt.

Wurging

Behalve de dagboeken uit het Derde Rijk zijn door Aufbau Verlag ook de dagboeken 1918-1932 uitgegeven en als voorproefje op de nog te verschijnen delen 1945-1960 de aantekeningen van juni 1945 tot en met december van dat jaar in een paperback-uitgave. Wie hiernaast nog Klemperers wetenschappelijke publikaties over Montesquieu, Corneille, moderne Franse poëzie, de Franse literatuur sinds Napoleon en het vierdelige werk over de Franse literatuur in de achttiende eeuw op de plank heeft staan moet wel tot de conclusie komen dat het volwassen bestaan van Victor Klemperer, het grotendeels in Berlijn opgegroeide achtste kind van de ultraliberale rabbijn Dr. Wilhelm Klemperer, het best gedocumenteerde leven is uit de twintigste eeuw. Uitzonderlijk voor iemand die drie jaar geleden nog geheel onbekend was.

Dat succes viel niet zomaar uit de lucht. Klemperer kon schrijven en scherp waarnemen. Zijn notities zijn niet, zoals bij veel publikaties over het Derde Rijk, achteraf geschreven met de wijsheden die de Götterdämmerung en de Holocaust de auteurs intussen hadden bijgebracht. Zij werden bijna dagelijks met alle twijfels en onzekerheden over de toekomst neergeschreven, ongecensureerd en oneerbiedig maar in de jaren dertig natuurlijk nog ten prooi aan de misvatting dat het voor de joden in Duitsland nog wel mee zou vallen. In geen tekst is de dagelijks verder aangeschroefde wurging van het joodse leven in Duitsland dan ook beter te volgen dan in Klemperers dagboeken uit de nazitijd.

Dat zij bij verschijning in 1995 zo'n gevoelige snaar raakten kwam mede omdat, nadat het IJzeren Gordijn was opgetrokken en de daders na vijftig jaar bijna allemaal door Magere Hein waren weggemaaid, er ruimte is ontstaan voor onderzoek naar de details van wat er toen is voorgevallen, naar de vraag hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren en wat de rol van de gewone burger is geweest. Een enkel oud mannetje zoals Papon in Frankrijk wordt daarbij nog als oorlogsmisdadiger voor de rechtbank gesleept, maar het recente onderzoek confronteert in heel Europa steeds meer de kinderen en kleinkinderen van de destijds levende generatie met feiten over het gedrag van hun niet misdadige keurige doorsnee-ouders en grootouders tijdens en na de Shoa.

Buiten Duitsland, ja zelfs in Nederland waar zoals iedereen zou moeten weten toch de hoogste maatstaven van moraal en fatsoen gelden, heeft dit al geleid tot schokkende onthullingen over de rol van solide banken bij de verzilvering van nazigoud, van museumdirecteuren bij de afwikkeling van de kunstroof door de nazi's, over uitgebleven compensaties voor joodse slachtoffers. In Duitsland leest men Klemperer om na te voelen hoe het was, hoe het toeging in Dresden, waar de joodse gemeenschap van 5000 zielen geruisloos gereduceerd werd tot een zestigtal permanent in doodsangst levende burgers, die om bureaucratische redenen nooit werden weggevoerd. Want met Klemperers leven, hoe bedreigd en ontmanteld ook, kan de lezer van nu zich identificeren.

Men kan zich voorstellen hoe het is om je baan kwijt te raken, uit je huis gezet te worden, niet meer in de parken, de theaters, de bibliotheken te mogen, geen auto te mogen rijden, je bankrekening geblokkeerd te zien, enzovoort. Beschrijvingen van het 'leven' in Auschwitz maken zo'n identificatie onmogelijk. Klemperer, die door zijn huwelijk met de niet-joodse pianiste en organiste Eva Schlemmer aan deportatie ontkwam, zat maar een paar dagen in een nazigevangenis (wegens niet adequaat verduisteren van zijn huis), moest een tijd lang dwangarbeid verrichten maar leefde verder ondanks alle gruwelijke inperkingen een leven dat niet volledig verschilde van dat van de meerderheid der Duitse bevolking in die jaren. Het is een tweede reden voor het succes van de dagboeken.

Misschien is er nog een derde. Klemperer beschrijft ook hoe een aantal oudere Duitsers zich fatsoenlijk en meelevend tegenover hem, die een jodenster op zijn jas heeft, gedragen (jongeren schelden hem vaak uit of roepen 'Warum lebst Du noch?'). Door sommigen is dit aangevoerd als een bewijs dat de Amerikaanse historicus Goldhagen, met zijn these dat rabiaat antisemitisme onder het hele Duitse volk tot Auschwitz leidde, het niet bij het rechte eind heeft. Ook ik denk dat Goldhagens stellingen onhoudbaar zijn, maar met Klemperer als getuige valt niet veel te bewijzen.

Over Klemperers academische milieu was in Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten, de dagboeken uit de nazitijd, maar weinig te lezen. In 1935 moest hij zijn professoraat in Dresden al neerleggen. In de twee delen 1918-1932, die de titel dragen: Leben sammeln, nicht fragen wozu und warum speelt zijn universitaire carrière de hoofdrol. Daarnaast ligt de nadruk op Klemperers huwelijk, zijn fanatieke bioscoopbezoek, zijn lees- en voorlees repertoire en de spanningen in en met zijn familie in Berlijn. Wie, parallel aan de notities uit het Derde Rijk, een rapportage van en commentaar op de politieke ontwikkelingen in de Weimarrepubliek verwacht, komt bedrogen uit. Nu en dan flitst er een verkiezingsuitslag of een dramatische politieke gebeurtenis over de pagina, maar in wezen bevatten deze delen de aantekeningen van een a-politieke, van huis uit nationaal voelende Duitse hoogleraar, die trots is op zijn oorlogsvrijwilliger-verleden in de Eerste Wereldoorlog en die niet kan verkroppen dat de afloop van die oorlog en vooral de Vrede van Versailles zo'n knauw hebben gegeven aan Duitslands politieke en militaire machtspositie.

In de nazitijd leren we Klemperer kennen als slachtoffer van het barbaarse antisemitisme van de nazi-dictatuur, als minutieuze chroniqueur van de steeds meer verstikkende wurggreep waarmee elk leven uit de Duitse joden wordt geknepen. In de Weimarrepubliek is veel meer de privé-mens Klemperer aan het woord, die de lezer niet spaart met allerlei wat men nu zou kunnen noemen 'morally uncorrect thinking and feeling'. Hij is ambitieus tot het uiterste, wil prominent zijn in zijn vak, beschouwt elke benoeming van een vakgenoot op een prestigieuzere leerstoel dan hij zelf bezet aan de geminachte 'Technische' Hogeschool in Dresden als een persoonlijke kwetsing, heeft maar zelden een goed woord over voor collegaromanisten.

Als zoon van een rabbijn en uit een familie die uit het Praagse getto stamt wil hij maar één ding: dat zijn begaafde familie (zijn broers Berthold en Georg zijn respectievelijk advocaat en internist in Berlijn, beide zeer prominent, zijn neef Otto was de wereldberoemde dirigent) maatschappelijk vooruitkomt en helemaal Duits wordt. 'Ins Deutschtum herüberkommen ist mir immer das Höchste gewesen', schrijft hij. Van 'typisch joods gedrag', 'joods uiterlijk', van zogenaamde Ostjuden als zij niet uitzonderlijk erudiet zijn of van nieuwrijke joodse patsers heeft hij een afkeer. En hij is bitter dat in Duitsland steeds meer alles hem terugstoot naar het jood-zijn. 'Ik hang als een vliegtuig boven al deze dingen. Typisch joods maar ook typisch Duits'. Maar de Duitsers vinden tenslotte 'Gefühlseinheit' met hun omgeving, de jood blijft ook boven zijn gevoel staan, schrijft hij gedeprimeerd.

Rotvolk

In deze jaren is Klemperer, als romanist en als mens, ervan overtuigd dat er wetenschappelijk te definiëren volksaarden bestaan. Daarbij komen de Fransen er aanvankelijk niet best af, geheel in overeenstemming met het algemene gevoel in Duitsland dat deze oer-vijand louche, lomp, kil en gevaarlijk is. Wel verbaast het Klemperer dat zo'n rotvolk zulke prachtige literatuur en ook de denkbeelden van de Verlichting heeft weten voort te brengen. Maar aan de andere kant: het bracht ook Rousseau voort met zijn stuitende 'terug naar de natuur', in zijn ogen de basis voor de massacultuur die de wereld de barbarij van nationaal-socialisme, bolsjewisme en Amerikanisme had gebracht. Wat hem onderscheidt van de meeste Duits nationaal voelende academici in de Weimarrepubliek is dat hij wel de noodzaak inziet van een verzoening van de 'arteigene Wesensmerkmale' van de Duitse en romaanse volkeren. Pas later in de nazitijd ziet Klemperer dat het denken in dergelijke nationale clichés wind in het zeil van de nazi's heeft geblazen en hij voelt zich er intellectueel schuldig over.

Zijn afkeer van Rousseau heeft ook een persoonlijke basis. 'Al het natuurlijke is mij vreemd' schrijft hij ergens en blote armen, halzen en benen stelt hij niet op prijs. De Charleston met zijn uit elkaar zwiepende beentjes vindt hij 'coïtaal' en de tango noemt hij genant seksueel. Maar met zijn eigen Eva heeft hij hevige en bevredigende seksuele en sensuele ervaringen en hij noteert die zonder schroom. Tegenover voor- en buitenechtelijke seks staan de Klemperers zeer tolerant en heel wat meer en minder intieme kennissen praten met hen dan ook openhartig over hun seksuele problemen. Door dergelijke passages en in die over de nieuwigheden van de jaren twintig (radio, telefoon, grammofoon, vliegtuig, Zeppelin en geluidsfilm) kan men weer veel naproeven van het beschreven tijdperk, kan men het bezichtigen door de ogen van een zeer intelligente sensitieve Duitse intellectueel, die pas aan het eind van de Weimarrepubliek, als de nazi's bij verkiezingen steeds meer zetels in het parlement bezetten en het openbare leven totaal terroriseren, in een joods isolement wordt gedrongen.

De nazi's hebben Klemperer weer tot jood gemaakt is naar aanleiding van zijn dagboeken wel geschreven. Dat lijkt onzin. Natuurlijk, het racistische antisemitisme dwingt de tot het protestantisme overgegane maar eerder agnostische professor zich meer bewust te zijn van zijn herkomst. Maar het zionisme blijft hij verafschuwen (hij noemt het verwant aan het nazisme), hij duikt niet in de joodse godsdienst en geschiedenis. Wel verandert Klemperer. Zijn Duits nationalisme ebt weg, chauvinisme gaat hij verafschuwen, hij wordt eerder pacifist en kosmopoliet. Zijn belangstelling voor de rest van de wereld leidt tot grote reizen. Naast de literatuur van zijn vakgebied leest hij steeds meer Engels: Dickens, Stevenson, Thackeray, ook Jack London, Gallsworthy, Sinclair Lewis. Het antisemitisme doet hem krachtig naar links schuiven. Als zijn vrijzinnig-liberale Deutsche Demokratische Partei fuseert met de griezelig 'teutsch' nationalistische en antisemitische Jungdeutschen Orden tot Deutsche Staatspartei stemt hij 'rood': op de SPD.

Leben sammeln, nicht fragen wozu und warum is een interessante bijdrage aan de cultuurgeschiedenis van de Weimarrepubliek en laat zien waarom de Duitse universitaire wereld geen rol wilde en kon spelen bij het tegenhouden van de anti-intellectuele nazibarbarij. Ook bevatten de delen 1918-1932 een aantal aardige anekdotes. Over Klemperers broer Georg bijvoorbeeld die naar Moskou wordt geroepen om Lenin te behandelen en bij terugkomst weinig bezorgd is over Lenins gezondheid, maar wel een enthousiast bewonderaar van de bolsjewieken blijkt te zijn geworden tot ontsteltenis van Victor, die zich meteen naar rechts voelt opschuiven. Of over de wereldberoemde theoloog Paul Tillich, die als de gastvrouw bij een diner per ongeluk met een kaars aankomt als ze melk voor de koffie wil inschenken Klemperer meteen toefluistert: 'die vrouw moet worden gepsycho-analyseerd, je vraagt je af in hoeverre ze bevredigd wordt'.

Al in de Weimartijd verliest Klemperer zijn illusies over de mens. Dan al noteert hij: een grote misdadiger worden zit er bij de doorsneemens niet in, maar om werkelijk goed te zijn ook niet. In de nazitijd raakt hij ervan overtuigd dat het Duitse volk, om te genezen van de naziziekte, helemaal van voren af aan zou moeten beginnen met een ABC der moraal. Alle echte nazi's, de Gestapo, de SS zouden daartoe moeten worden bestraft. In de dagboeken juni-december 1945, die onder de titel Und so ist alles schwankend verschenen zijn, (met een prachtige ontroerende brief aan majoor Hans Hirsche over de schuld die ieder radertje van Hitlers moordmachine op zich heeft geladen als afsluiting) bepleit hij dit ook.

Zelf draagt hij aan de nieuwe moraal een boek bij waarin de geestvervuilende werking van de nazitaal beschreven wordt: Lingua Tertii Imperii-Notizbuch eines Philologen. Maar tussen de puinhopen van het Derde Rijk steken al meteen de oud-nazi's hun koppen op. Met moeite krijgt Klemperer zijn leerstoel terug. Omdat hij niet in een concentratiekamp heeft gezeten geldt hij aanvankelijk niet als nazi-slachtoffer. De nazi's lijken trouwens als mist door de zon verdampt. Iedereen poseert als nazi-tegenstander in het verborgene. De joodse professor wordt overstroomd met verzoeken te getuigen dat Herr Müller of Frau Maier hem ooit geholpen hebben en tegenstanders van het regime zijn geweest.

Helemaal onbegrijpelijk is het niet dat Klemperer in het Oostduitse Dresden na veel aarzelingen eind 1945 lid werd van de communistische partij. Van een partij moest hij lid worden wilde hij als nazi-slachtoffer worden erkend en de communisten beweerden in elk geval schoon schip te willen maken met het naziverleden. De schrijvers uit de emigratie werden er meteen gepubliceerd en geëerd, voorvechters van de Verlichting als Heinrich Mann namen erefuncties op zich. In het West-Duitsland van Adenauer heerste toen een andere stemming. Emigranten als Thomas Mann, die openlijk tegen nazi-Duitsland hadden geageerd, werden als landverraders gezien. De auteur van de Neurenbergse nazirassenwetten was Adenauers naaste medewerker.

Leerstoelen

Klemperer, die politiek in de Weimarrepubliek steeds het gevoel had gehad tussen alle stoelen in te zitten met zijn Duitsnationale gevoelens aan de ene kant en zijn jood-zijn aan de andere, besloot in 1949, ondanks zijn overtuiging dat het bolsjewisme van hetzelfde laken een pak was als het nationaal-socialisme, op de stoel van de SED te gaan zitten. Hij zat er onwennig, men keek met achterdocht naar hem (en terecht: hij noteerde voorbeelden van de taal- en denkvervuiling in het 'Vierde Rijk') maar hij kreeg wel leerstoelen in Greifswald, Halle en Berlijn. De gehate TH in Dresden kon hij achter zich laten. Uit de dagboeknotities van de tweede helft 1945 kan men overigens opmaken hoe sceptisch hij stond tegenover de Russische bezettingsmacht en haar intenties om korte metten te maken met voormalige nazi's en de joden te compenseren.

Klemperers dagboeken zijn zo rijk dat zij uitnodigen tot commentaar en analyse. Een eerste boek waarin dat gepoogd wordt is Im Herzen der Finsternis, Victor Klemperer als Chronist der NS-Zeit. Auteurs die grotendeels relaties hebben met het linkse, door multimiljonair Jan Philipp Reemtsma opgerichte Hamburger Institut für Sozialforschung, dat aan de wieg stond van de onthullende reistentoonstelling Vernichtungskrieg. Verbrechen der Wehrmacht 1941-1944 (1995), laten hun licht over Klemperers aantekeningen schijnen. Betere en minder geslaagde essays wisselen elkaar af. De minst gelukkige bijdragen zijn die waarin de auteur een eigen intellectuele strijd met de dagboeken als wapen voert. Uwe Nerlich bijvoorbeeld die Klemperer zozeer vertekent als eenzame strijder in het romanistenkamp voor de idealen der Verlichting dat men de indruk krijgt dat Klemperer meer als 'Aufklärer' dan als jood werd vervolgd.

Desondanks is de essaybundel een prikkelend boek, een eerste indicatie voor wat historici met Klemperers dagboek als uitgangspunt nog kunnen uitspitten. Dat is nog veel. Want de notities van deze als 'niet levensvatbare baby' ter wereld gekomen en ondanks al zijn hypochondrie vitale intellectueel, bevatten een schat aan historische, literaire, ethische, psychologische en politieke observaties. Ze stellen de belangrijkste vraag over de bloedigste eeuw aller tijden opnieuw aan de orde. De pijnlijke vraag waarom en onder welke voorwaarden de mens steeds opnieuw in staat blijkt tot het begaan of tolereren van onbeschrijfelijke gruwelijkheden.